Het Romeinse leger was opgebouwd uit legioenen van 5.120 man, verdeeld in cohorten en centuriën, met een strakke hiërarchie en harde training die Rome groot maakten.
Legioenen waren het kloppende hart van de Romeinse expansie: een getraind, gedisciplineerd en veelzijdig inzetbaar legerkorps dat veroverde, bezette en bouwde.