De Romeinen namen het Griekse theater over in de derde eeuw voor Christus, maar de echte doorbraak was het jaar 240 v.Chr. Toen produceerde Livius Andronicus, een vrijgelaten slaaf uit het Griekse Tarentum, voor het eerst een vertaling van een Grieks toneelstuk tijdens de Ludi Romani, de jaarlijkse spelen ter ere van Jupiter. Daarmee begon een culturele overname die ruim twee eeuwen duurde en het Romein theater grondig veranderde.
Het Grieks theater was voor de Romeinen geen onbekend fenomeen. Via de steden van Magna Graecia, het Griekse deel van Zuid-Italië en Sicilië, waren Romeinse burgers en soldaten allang vertrouwd met Griekse opvoeringen. Maar het duurde tot na de Eerste Punische Oorlog (264-241 v.Chr.) voor Rome de traditie echt serieus nam en in de eigen cultuur inpaste. Wat volgde, was een fascinerend proces van overname, aanpassing en uitbreiding dat tot de meest invloedrijke theaterculturen uit de westerse geschiedenis leidde.
De vroegste contacten: Magna Graecia en Etruskische invloeden
Rome was geen eiland in een cultureel vacuum. Al vanaf de zevende en zesde eeuw v.Chr. hadden Etrurische steden nauw contact met Griekse kolonisten langs de Italiaanse westkust. De Etrusken namen Griekse theatrale elementen over, waaronder gemaskerde spelers en muzikale begeleiding. Via deze weg bereikte de Griekse toneeltraditie Rome al voor de Republiek goed en wel op gang was.
Toch bleven vroege Romein vertoon-praktijken lang hun eigen karakter houden. De Fescennijnse verzen waren grove, improviserende woordenwisselingen tussen boeren, die niets van doen hadden met de geraffineerde tragedies van Aeschylus of de komedies van Menander. En de Fabula Atellana, afkomstig uit de Osco-Samnitische stad Atella in Campanië, was een volkskluchtvorm met vaste maskertypen: Maccus de domoor, Bucco de dikzak, Pappus de gierige ouwe en Dossennus de bultenaar. Deze inheemse tradities leefden door zelfs nadat de Griekse invloed volledig was ingeburgerd.
De echte schok van erkenning deed zich voor tijdens en na de Eerste Punische Oorlog. Romein soldaten die in Sicilië vochten, zagen Griekse theaters in Syracusa, Agrigento en andere steden. Ze zagen hoe burgers er massa’s uit lagen om komedies van Menander te zien of hoe tragedies van Euripides publiek van duizenden trokken. Die ervaring plantte een zaad dat snel zou ontkiemen.
240 v.Chr.: het beginpunt van de Latijnse drama
Livius Andronicus (circa 284-204 v.Chr.) was afkomstig uit Tarentum, een grote Griekse stad in Zuid-Italië. Na de Romein verovering van Tarentum in 272 v.Chr. werd hij als slaaf meegenomen naar Rome, waar hij later zijn vrijheid verkreeg. Hij verdiende zijn brood als leraar en vertaler, en zijn positie maakte hem tot de perfecte brug tussen twee culturen.
In 240 v.Chr. vroegen de Romeinse autoriteiten hem een toneelstuk te produceren voor de Ludi Romani. Hij vertaalde een Grieks drama, vermoedelijk een tragedie en mogelijk ook een komedie, naar het Latijn. Dit was niet louter een vertaling in de moderne zin: Livius paste Griekse mythologische namen aan naar Romein equivalenten, voegde Latijnse idioom in en stemde het tempo af op het Romein publiek. Het Latijnse woord voor toneel, fabula, werd meteen ingeburgerd.
Het succes was direct. De Ludi Romani waren groot publieksevenementen, vergelijkbaar met een nationale feestdag plus sportevenement ineen. Als theaterstukken hier werden opgevoerd en in de smaak vielen, zou de traditie gegarandeerd voortleven. Dat deed ze: na 240 v.Chr. was toneel een vast onderdeel van de Ludi en andere grote feestdagen.
Hieronder een overzicht van de vroegste Romein dramaturgen en hun verhouding tot het Griekse voorbeeld:
| Auteur | Periode (v.Chr.) | Genre | Griekse basis | Eigen bijdrage |
|---|---|---|---|---|
| Livius Andronicus | ca. 284-204 | Tragedie en komedie | Vertaling uit het Grieks | Eerste Latijnse drama, ook episch (Odusia) |
| Gnaeus Naevius | ca. 270-201 | Tragedie, komedie, epiek | Griekse mythologie | Eerste Romein historische tragedie (Fabula praetexta) |
| Quintus Ennius | 239-169 | Tragedie | Euripides (zwaar geleund) | Introduceerde Griekse hexameter in Latijn epiek |
| Titus Maccius Plautus | ca. 254-184 | Komedie | Nieuwe Griekse komedie (Menander) | Scherpe karikaturen, Romein slapstick, muzikale cantica |
| Publius Terentius Afer | ca. 195-159 | Komedie | Menander en Apollodorus | Psychologische diepgang, eleganter Latijn |
| Lucius Accius | 170-86 | Tragedie | Sophocles en Euripides | Meest prolifieke Romein tragediedichter |
| Quintus Hortensius | ca. 114-50 | Mime en pantomime | Hellenistisch varieté | Populariseerde lichtere genres bij Romein publiek |
De drie dramatische genres: palliata, togata en praetexta
De Romein overeenamen van Griekse dramatische vormen resulteerde in een bloeiend genre-systeem. De drie voornaamste varianten laten goed zien hoe de Romeinen het Griekse materiaal naar eigen hand zetten.
De fabula palliata (“stuk in Griekse mantel”) was de directe vertaling of bewerking van Griekse komedies. Spelers droegen de pallium, de Griekse mantel, en de setting bleef Grieks: Athene, Korinthe, een haven in het Oosten. Plautus en Terentius zijn de bekendste beoefenaars van dit genre. Plautus kon Griekse bronteksten van Menander, Philemon en Diphilus grondig omwerken: hij voegde meer muziek toe, maakte personages grappiger en grove hij de humor aan. De werken van Terentius waren verfijnder en dichter bij het Griekse origineel, wat hem een kleiner maar beschaafder publiek opleverde.
De fabula togata (“stuk in Romein toga”) was een volkomen Romein product: de setting was Italië, de personages droegen Romein kleding en de onderwerpen waren herkenbaar Italisch (kleine steden, ambachtslieden, Romein familiedynamiek). Dit genre bloeide in de tweede en eerste eeuw v.Chr. Auteurs als Titinius, Afranius en Atta schreven togata’s, maar van hun werk zijn slechts fragmenten bewaard.
De fabula praetexta was de meest nationalistisch getinte vorm: een tragedie over historische Romein figuren of mythologische Romein stichters, zoals Romulus. Gnaeus Naevius wordt beschouwd als grondlegger van dit genre. Hij schreef een stuk over de Punische Oorlogen en daarmee bewees hij dat de Griekse tragedie ook als vehikel voor Romein glorie kon dienen. Latere voorbeelden behandelden figuren als Marcus Atilius Regulus of Romulus zelf.
Naast deze drie grote genres bleef de Fabula Atellana populair als volkse tussenspelkomedie, en in de keizertijd werd de pantomimus (een solo-danser die alle rollen speelde, begeleid door een koor en muzikanten) het meest geliefde podiumgenre bij het brede publiek. De Griekse mythologische figuren zoals Poseidon bleven ook in Romein pantomimen populaire rolmodellen.
Architectuur: van Grieks bergtheater naar vrijstaand Romein gebouw
De manier waarop het theater als gebouw werd overgenomen, is even interessant als de literaire overname. Griekse theaters werden altijd in een helling gebouwd. Het halfronde orkest (waar het koor danste en zong), de skene (het achtertoneel) en de theatron (de zitplaatsen) lagen ingebed in een heuvel of berghelling. De akoestiek was natuurlijk uitstekend, maar het gebouw was onlosmakelijk verbonden met zijn omgeving. Bekende voorbeelden zijn het theater van Epidauros (circa 350 v.Chr.) en het theater van Dionysus in Athene (vijfde eeuw v.Chr.).
Rome kende aanvankelijk helemaal geen permanente theatergebouwen. Toneelstukken werden gespeeld op tijdelijke houten platforms tijdens feestdagen. Dit was deels praktisch (hout was goedkoper dan steen), maar ook ideologisch: sommige Romein senatoren beschouwden permanente theaters als een gevaar voor de zeden, een plek waar mensen te veel vrije tijd doorbrachten en zedeloze invloeden opdeden.
Het eerste permanente stenen theater van Rome, het Theater van Pompeius, werd pas in 55 v.Chr. voltooid, vijf jaar voor de dood van Cicero. Pompeius had het theater ogenschijnlijk gebouwd als een tempel voor Venus Victrix, met de zitplaatsen als trappen naar het heiligdom: zo omzeilde hij het morele bezwaar. Het theater kon naar schatting 10.000-20.000 toeschouwers herbergen.
De architectonische verschillen ten opzichte van Griekse theaters waren opvallend. Romein theaters werden gebouwd op vlak terrein, volledig vrijstaand met onderliggende gewelven en bogen die de tribune droegen. De cavea (zitplaatsen) sloot exact aan op de scaena frons (het decoratieve achterpodium), wat een gesloten, overdekte architectonische eenheid schiep. De Grieken hadden nooit een dergelijke directe aansluiting tussen tribune en toneel. Bovendien was de Romein orchestra kleiner dan de Griekse, want in Rome zat het koor niet meer in het orkest maar op de zitplaatsen; de centrale ruimte was gereserveerd voor senatoren.
- Griekse theater: gebouwd in helling, open naar buiten, groot halfrond orkest voor het koor
- Romein theater: vrijstaand gebouw, gesloten architectuur, klein orkest voor senatoren
- Romein amfitheater: volledig Romein uitvinding, ovaal of circulair, geen directe Griekse voorloper
- Griekse skene: eenvoudige achterwand, soms geschilderd als decor
- Romein scaena frons: uitbundige decoratieve gevel met zuilen, nissen, beelden en meerdere etages
Het amfitheater, de arena voor gladiatorengevechten en dierengevechten, was een volledig Romein uitvinding zonder Grieks equivalent. Verwar het amfitheater (ovaal, toeschouwers rondom) niet met het halfrondetheater voor toneelstukken.
Plautus en Terentius: de twee gezichten van de Romein komedie
Geen bespreking van de Romein overname van Grieks theater is compleet zonder de twee grote komediedichters van de tweede eeuw v.Chr. Ze laten zien hoe één Grieks model door twee Romein auteurs totaal anders werd verwerkt.
Titus Maccius Plautus (circa 254-184 v.Chr.) was vermoedelijk afkomstig uit Umbrië en werkte als jonge man bij het theater voordat hij zelf stukken begon te schrijven. Hij bewerkte de Nieuwe Griekse komedie (Nea, de stijl die Menander beroemd had gemaakt) volkomen naar Romein smaak. Zijn personages werden karikaturen: de snoevende soldaat (miles gloriosus), de gehaaide slaaf (servus callidus), de hebzuchtige geldschieter. Zijn taalgebruik was aanstekelijk, vol woordspelingen, overdrijving en slapstick-situaties. Hij voegde muzikale aria’s (cantica) toe die in de Griekse bronnen helemaal niet aanwezig waren. Van zijn werk zijn er 21 volledige stukken bewaard, waaronder bekende komedies als Miles Gloriosus, Menaechmi en Aulularia.
Publius Terentius Afer (circa 195-159 v.Chr.) was afkomstig uit Noord-Afrika (Carthago) en werd als slaaf naar Rome gebracht. Hij bleef dichter bij zijn Griekse bronnen, met name bij Menander. Zijn stukken hebben een genuanceerder karakter: morele dilemma’s worden eerlijker weergegeven, personages maken psychologische groei door, en het Latijn is eleganter en minder uitbundig. Terentius schreef zes komedies, waaronder Hecyra en Phormio. Bij het brede Romein publiek was hij minder populair dan Plautus; bij de geletterde klasse en bij latere eeuwen (Renaissance-humanisten zworen bij hem) genoot hij groot prestige.
Het contrast zegt veel over de receptie van Griekse cultuur in Rome: de volksvariant (Plautus) won het op populariteit, maar de cultureel verfijnde aanpak (Terentius) bleef door de eeuwen heen als norm van goed schrijven erkend. Julius Caesar prees Terentius als “halve Menander” vanwege zijn elegante Latijn, maar betreurde zijn gebrek aan kracht.
Tragedie en de bijzondere rol van Seneca
In de tragedie verliep de overname anders dan in de komedie. Tijdens de Republiek schreven dichters als Quintus Ennius (239-169 v.Chr.) en zijn neef Marcus Pacuvius (circa 220-130 v.Chr.) tragedies die direct op Euripides en Sophocles leunden. Lucius Accius (170-86 v.Chr.) geldt als de meest productieve Romein tragedieschrijver: hij zou meer dan 45 tragedies hebben geschreven, al zijn er nauwelijks fragmenten van over. Zijn werk was voor het theater bedoeld en werd ook daadwerkelijk opgevoerd.
De grote kentering in de Romein tragedie was Lucius Annaeus Seneca (circa 4 v.Chr. tot 65 n.Chr.), de filosoof-staatsman uit de keizertijd. Seneca schreef negen tragedies, vrijwel allemaal gebaseerd op Griekse mythen: Medea, Phaedra, Thyestes, Oedipus en meer. Zijn stijl is radicaal anders dan de Griekse voorbeelden: lange, retorische monologen vol stoïcijnse filosofie, extreme beschrijvingen van geweld en een theatraal pathos dat griezelt. Of zijn stukken bedoeld waren voor opvoering op het toneel of voor voordracht (recitatio) in besloten kring, is nog altijd onderwerp van discussie onder classici.
Seneca’s invloed op het latere West-Europese theater was kolossaal. Elizabethaans drama, de tragedies van Shakespeare en de Franse classicistische tragedie van Racine en Corneille zijn allemaal schatplichtig aan Seneca, niet aan de Griekse tragici zelf. Zo werkte de Romein herwerking van het Griekse theater door tot diep in de moderne tijd. De mythologie die Seneca als bron gebruikte, leeft in zijn Romein gedaante in de westerse cultuur voort.
In de keizertijd werd de tragedie als opvoeringsvorm steeds minder populair. De pantomimus, een solo-optreden waarbij één danser alle rollen speelde met maskers en gebaar, begeleid door muzikanten en een zingende koorleider, verdrong de traditionele tragedie bij het grote publiek. Beroemde pantomimespelers als Pylades en Bathyllus (tijdgenoten van Augustus, rond het jaar 0) werden gevierd als sterren, vergelijkbaar met moderne popsterren.
Wat de Romeinen veranderden en toevoegden
De Romein overname was geen slavernij maar een actieve transformatie. Op meerdere punten weken de Romein praktijken structureel af van het Griekse voorbeeld, en op sommige punten gingen ze verder dan de Grieken.
Een eerste belangrijk verschil was de afschaffing van het koor als centraal dramatisch element. In de Griekse tragedie speelde het koor (15-24 koorleden die zongen, dansten en commentaar leverden op de handeling) een onmisbare rol. In de Romein tragedie en komedie reduceerde het koor tot muzikale tussenspelen of verdween het volledig. De acteurs namen de volle dramatische verantwoordelijkheid over.
Een tweede verandering was de uitbreiding van het geweld op het toneel. Grieken toonden nooit moordzaken of gevechten op het toneel; dood en geweld werden beschreven of afgespeeld achter het toneel. Romein publiek verlangde explicietere verbeelding, en de stukken werden dienovereenkomstig schrilder. Seneca’s schriftelijke beschrijvingen van verminking en bloedvergieten gaan ver voorbij wat Sophocles of Euripides ooit neerschreven.
Een derde verandering was de professionalisering van de acteurs. In Griekenland hadden acteurs een gerespecteerde maatschappelijke positie: Aeschylus, Sophocles en Euripides waren burgers van hoog aanzien. In Rome stonden acteurs (histriones) in lage sociale achting, vergelijkbaar met gladiatoren: ze genoten bewondering als entertainer maar lagen maatschappelijk op de lagere trap. Ze mochten geen militaire dienst vervullen en werden soms met infamia (eerloosheid) belast. Dit paradoxale prestige-zonder-eer is karakteristiek Romein.
Bekijk hieronder de voornaamste inhoudelijke en structurele verschillen:
| Aspect | Grieks theater | Romein theater |
|---|---|---|
| Rol van het koor | Centraal, zingt en danst, 15-24 leden | Gereduceerd of afwezig |
| Geweld op toneel | Achter het toneel, nooit zichtbaar | Soms direct zichtbaar of sterk gesuggereerd |
| Sociaal aanzien acteurs | Gerespecteerde burgers | Lage status (infamia) |
| Muzikale begeleiding | Koor en aulos (dubbelfluit) | Tibia (fluit) + cantica, uitgebreider muzikaal element |
| Theatergebouw | In helling, open, groot halfrond orkest | Vrijstaand, gesloten, kleiner orkest |
| Maskers | Altijd gedragen | Behouden tot de keizertijd, daarna minder |
De Romein overname van het Griekse theater was dus nooit een blindelingse kopie. Het was een wisselwerking waarbij Romein smaak, Romein maatschappij en Romein politiek elk hun stempel drukten op een door de Grieken uitgevonden kunstvorm. Het resultaat was een theatercultuur die tot ver in de middeleeuwen invloed had op Europees schrijven en bouwen. Griekse mythen zoals die van koning Midas bleven in Romein bewerkingen verder leven en bereikten via Rome de latere Europese literatuur. En de grote tragische thema’s die Sophocles en Euripides lanceerden, herkenden hun spiegelbeelden in Seneca’s Romein bewerkingen, waarop Shakespeare en Racine verder bouwden. Goden als Poseidon behielden hun dramatisch gewicht in dit doorgaande verhaal van culturele overdracht.
Veelgestelde vragen
Wanneer begonnen de Romeinen precies met het overnemen van het Griekse theater?
Het startpunt is het jaar 240 v.Chr., toen Livius Andronicus als eerste een Grieks toneelstuk vertaalde en opvoerde tijdens de Ludi Romani. Eerder waren er al contacten via Magna Graecia en Etruskische bemiddeling, maar 240 v.Chr. geldt als de officieel erkende geboorte van de Latijnse dramatische traditie. In de tweede eeuw v.Chr. bloeiden de genres volledig op met Plautus en Terentius.
Wat was het grootste verschil tussen het Griekse en het Romein theater?
Het grootste structurele verschil was de rol van het koor. In het Griekse theater was het koor een centraal dramatisch element van 15-24 zangers en dansers. In Rome verdween deze functie grotendeels. Architectonisch was het verschil dat Griekse theaters in een helling gebouwd werden, terwijl Romein theaters volledig vrijstaande stenen gebouwen waren op eigen fundament, volledig omsloten en afgesloten.
Was Livius Andronicus een Romein?
Livius Andronicus was afkomstig uit Tarentum, een Griekse stad in Zuid-Italië. Hij werd na de Romein verovering van die stad in 272 v.Chr. als slaaf naar Rome gebracht. Later verkreeg hij zijn vrijheid. Zijn Griekse achtergrond maakte hem de ideale persoon om Griekse drama’s naar het Latijn te vertalen: hij kende beide culturen van binnen uit. Zijn dubbele naam (Griekse voornaam Andronicus, Romein geslachtsnaam Livius) reflecteert zijn positie als culturele brug.
Hoe verschilden Plautus en Terentius in hun omgang met het Griekse voorbeeld?
Plautus bewerkte zijn Griekse bronnen (met name Menander) grondig naar Romein volksmaak: meer slapstick, scherpere karikaturen, extra muzikale onderdelen. Zijn personages als de snoevende soldaat en de gehaaide slaaf werden archetypen. Terentius bleef dichter bij het Griekse origineel, legde meer nadruk op psychologische ontwikkeling van personages en schreef eleganter Latijn. Plautus was populairder bij het brede publiek; Terentius bij geleerden en latere generaties.
Hadden de Grieken ook permanente stenen theaters?
Ja, de Grieken bouwden permanente stenen theaters al in de vijfde en vierde eeuw v.Chr. Het oudst volledig bewaarde voorbeeld is het theater van Epidauros (circa 350 v.Chr.), beroemd om zijn uitstekende akoestiek. Het theater van Dionysus in Athene, waar de stukken van Aeschylus, Sophocles en Euripides voor het eerst werden opgevoerd, dateert ook uit de vijfde eeuw v.Chr. Rome bouwde zijn eerste permanente stenen theater pas in 55 v.Chr.: het Theater van Pompeius.
Welke Romein tragediedichter had de meeste invloed op de latere Europese literatuur?
Lucius Annaeus Seneca (circa 4 v.Chr. tot 65 n.Chr.) had de meeste invloed op de westerse literatuur na de oudheid. Zijn negen tragedies op Griekse mythologische thema’s werden in de Renaissance herontdekt en werden het model voor Elizabethaans drama, de werken van Shakespeare (met name zijn bloederige tragedies), en de Franse classicistische tragedie van Racine en Corneille. Seneca’s nadruk op retorische monologen en zijn uitbeelding van extreme emoties werden normatief voor eeuwen Europees toneel. De mythologische verhalen die hij bewerkte, bereikte via zijn werk het moderne Europa.










