Hoe verloopt het opstijgproces van een vliegtuig?

Mario Vullings

Geupdate op:

Hoe verloopt het opstijgproces van een vliegtuig?
Je leest dit artikel in 10 minuten

Laatst bijgewerkt: 21 april 2026

Een vliegtuig stijgt op via een reeks nauw op elkaar afgestemde fasen: de startrol over de baan, rotatie waarbij de neus omhoog gaat, liftoff waarbij de wielen de grond verlaten, en daarna de klimfase naar kruishoogte. Elke fase heeft een eigen snelheid, een eigen taak voor de bemanning en een eigen risicoprofiel. Hieronder doorloop je het hele opstijgproces stap voor stap, van startpositie tot het moment dat de flaps volledig zijn ingetrokken.

Voorbereiding op de startbaan: berekeningen en instelling

Voordat een vliegtuig ook maar een meter beweegt, zijn de piloten al tientallen minuten bezig met voorbereiding. De vluchtcomputer berekent op basis van het actuele gewicht, de buitentemperatuur, de luchtdruk, de windrichting en de beschikbare baanlengte drie kritieke snelheden: V1, VR en V2. Die snelheden staan centraal in het opstijgproces en zijn nooit hetzelfde. Ze veranderen per vlucht, per luchthaven en per weersomstandigheid.

Tegelijkertijd stelt de bemanning de flaps in. Flaps zijn beweegbare klepjes aan de achterrand van de vleugel. Door ze gedeeltelijk naar buiten te klappen, vergroot je het vleugelprofiel en genereer je meer lift bij lagere snelheid. Dat is precies wat je nodig hebt bij het opstijgen: zo snel mogelijk van de grond komen zonder een extreem lange aanloop te hoeven nemen. Bij veel commerciele vliegtuigen worden de flaps ingesteld op stand 5, 10 of 15 graden, afhankelijk van de situatie.

Ook de slats worden uitgeschoven. Slats zitten aan de voorrand van de vleugel en vervullen een vergelijkbaar doel: ze vergroten het vleugeloppervlak en verlagen de minimumsnelheid voor het genereren van voldoende lift. Samen zorgen flaps en slats ervoor dat een Boeing 737 al bij circa 250-290 kilometer per uur kan opstijgen, terwijl hetzelfde toestel bij cruise-snelheid op zo’n 850 km/u vliegt zonder die extra oppervlakken nodig te hebben.

Pas na de volledige checklist en goedkeuring van de luchtverkeersleiding rijdt het vliegtuig naar de startpositie. Op drukke luchthavens zoals Amsterdam Schiphol kan die wachttijd soms tien tot twintig minuten duren.

Fase 1: De startrol (takeoff roll)

Zodra de luchtverkeersleiding toestemming geeft voor vertrek, zet de gezagvoerder de motoren op vol vermogen. Bij een moderne turbofan zoals de CFM56 of LEAP-1B duurt het een paar seconden voordat het motorvermogen stabiel is op de maximale stuwkracht voor opstijgen. Die eerste seconden staan het vliegtuig stil met de remmen ingedrukt, waarna de piloot de remmen vrijgeeft en de startrol begint.

Tijdens de startrol nemen de snelheid en het lawaai snel toe. De copiloot roept de snelheden af zodra ze worden bereikt. Bij 80 knopen (ca. 148 km/u) controleert de bemanning of de vliegtuigsystemen correct functioneren en of de motor stabiel is. Dit is nog een moment om de start af te breken als er iets mis is. Na dit punt wordt het afbreken technisch lastiger.

De startrol duurt bij een volledig beladen langeafstandsvliegtuig zoals een Boeing 777 of Airbus A350 al snel 40-60 seconden. In die tijd legt het toestel zo’n 2.000-3.000 meter baan af. Lichtere toestellen zoals een Embraer E175 zijn bij veel minder dan 2.000 meter al in de lucht.

Fase 2: V1, VR en V2, de drie beslissende snelheden

De drie V-snelheden zijn het hart van elk opstijgproces. Ze worden altijd in knopen (knots, kt) uitgedrukt, de standaardeenheid in de luchtvaart.

Snelheid Naam Betekenis Typische waarde (B737)
V1 Decision speed Tot dit moment mag de start worden afgebroken; daarna niet meer 130-145 kt (ca. 240-269 km/u)
VR Rotation speed Moment waarop de piloot de neus omhoogtilt 140-155 kt (ca. 259-287 km/u)
V2 Takeoff safety speed Minimumsnelheid voor een veilige klim bij motorstoring 150-165 kt (ca. 278-306 km/u)
VLOF Lift-off speed Snelheid waarop de wielen de grond verlaten (tussen VR en V2) 145-160 kt
VFTO Final takeoff speed Doelsnelheid aan het einde van de initiële klimfase 180-210 kt
VEF Engine failure speed Kritieke snelheid voor berekening bij motoruitval Iets onder V1

V1 is misschien wel de belangrijkste waarde. Zodra de copiloot “V1” roept, is de beslissing genomen: ook als er op dat moment iets misgaat, gaat het toestel de lucht in. Afbreken bij of na V1 is gevaarlijker dan opstijgen, omdat de resterende baanlengte onvoldoende is om veilig tot stilstand te komen. Bij V1 legt de piloot zijn hand van de stuwkrachthendels naar het stuurwiel als teken dat afbreken geen optie meer is.

VR volgt kort daarna, soms maar een paar seconden. Op dat moment trekt de gezagvoerder rustig maar beslissend de knuppel naar zich toe, waardoor de neus 10-15 graden omhooggaat. Dit heet rotatie. Het woord “rotate” hoor je in de cockpit dan ook letterlijk.

Fase 3: Liftoff en de eerste seconden in de lucht

Na rotatie is het vliegtuig nog niet in de lucht: de achterwielens zijn nog op de baan. De neus omhoogbrengen vergroot de aanvalshoek van de vleugels, waardoor de lift snel toeneemt. Na een halve tot anderhalve seconde is de lift groter dan het gewicht en verlaat het toestel de grond. Dit is het liftoff-moment.

De luchtvaartregels schrijven voor dat een vliegtuig bij 35 voet (ca. 10 meter) hoogte minimaal de V2-snelheid moet hebben bereikt. Dat is de minimale veiligheidssnelheid voor het geval een motor op dat moment uitvalt. V2 garandeert dan nog voldoende stijgvermogen om obstakelvrij weg te klimmen. Op drukke luchthavens met gebouwen en antennes in de nabijheid is dit een harde eis.

Vlak na liftoff worden de remmen kort aangetikt zodat de wielen niet meer draaien, waarna het landingsgestel wordt ingetrokken. Dat duurt circa 10-15 seconden. Het intrekken verlaagt de luchtweerstand aanzienlijk en maakt snellere klimming mogelijk. Passagiers horen op dat moment een kenmerkend mechanisch geluid en gevoeld van bonken: de wielen klikken in hun behuizing.

De piloten hebben nu de handen vol. De motoren staan nog op maximaal startsvermogen, de vliegtuigneus staat omhoog, het landingsgestel wordt ingetrokken en de hoogte neemt snel toe. Dit is statistisch gezien een van de meest kritieke vliegfasen: de meeste vliegtuigongelukken gebeuren in de eerste minuten na liftoff.

Fase 4: De initiële klim en het intrekken van flaps

Eenmaal in de lucht klimt het toestel door naar een initieel veilig vlieghoogte, doorgaans 1.500-3.000 voet (450-900 meter). Pas dan begint de bemanning de flaps en slats stapsgewijs in te trekken. Dat gaat niet in een keer, maar in trappen: flaps 15 graden, daarna 10, dan 5, dan nul. Bij elke stap neemt de weerstand af maar ook de maximale lift bij lage snelheid, dus het vliegtuig moet telkens iets versnellen voordat de volgende flapstap mag worden ingetrokken.

Er zijn drie veelgebruikte varianten van deze initiële klimfase, afhankelijk van het type luchthaven en de omgeving:

  • Standaard vertrekprocedure (SID): Het vliegtuig volgt een vastgelegd route omhoog, inclusief koerswijzigingen en hoogtebeperkingen, opgelegd door luchtverkeersleiding.
  • Geluidsgereduceerde procedure (NADP): Op luchthavens nabij dichtbevolkte gebieden worden de motoren eerder teruggeschakeld na liftoff om geluidsoverlast te beperken. Dit heet Noise Abatement Departure Procedure (NADP).
  • Versneld opstijgen bij hoge temperatuur: Op luchthavens op grote hoogte (zoals Mexico-Stad op 2.240 meter) of bij hoge buitentemperatuur is de lucht dunner, waardoor motoren minder vermogen leveren en de stijgsnelheid lager is. De baan die nodig is voor opstijgen kan dan twee keer zo lang zijn als normaal.

Flaps volledig ingetrokken is een sleutelmoment. Het vliegtuig vliegt dan “schoon” en de weerstand is minimaal. De piloten schakelen het vermogen terug van startvermogen naar klimvermogen om de motoren te beschermen en brandstof te besparen.

Fase 5: De klim naar kruishoogte

Na de initiële klim begint de reguliere klimfase naar cruisehoogte. Voor de meeste commerciele vluchten is dat tussen de 30.000 en 40.000 voet (9.000-12.000 meter), ook wel vliegniveau FL300 tot FL400 genoemd. De klim duurt bij een middellange vlucht (bijvoorbeeld Amsterdam naar Madrid) zo’n 20-30 minuten.

Moderne vliegtuigen klimmen niet in een rechte lijn omhoog. Ze gebruiken een zogenaamde step-climb: eerst klimmen naar een laag niveau, vlak houden terwijl er brandstof wordt verbruikt zodat het gewicht daalt, en daarna doorstijgen naar een hoger niveau. Dit is efficienter omdat dunne lucht op grote hoogte minder weerstand biedt, maar alleen haalbaar als het vliegtuig licht genoeg is om daar te vliegen.

De optimale klimsnelheid voor een Airbus A320 ligt op circa 250 knopen onder de 10.000 voet (een wettelijk maximum op veel luchthavens) en daarna op de zogenaamde “green dot speed” of M0.74-0.78 (mach) op hogere niveaus. De Mach-waarde is de verhouding tussen de vliegsnelheid en de geluidssnelheid. Bij M0.78 vliegt het toestel op 78% van de geluidssnelheid.

Passagiers merkten vroeger de klim vooral door het onaangename gevoel van druk op de oren. Moderne vliegtuigen hebben een drukregelsysteem dat de cabinedruk langzaam laat dalen, vergelijkbaar met een stijging naar zo’n 2.000-2.400 meter equivalent, zodat het ongemak beperkt blijft.

Wat er achter de schermen gebeurt: systemen en automatisering

Het opstijgproces is voor passagiers een ervaring van geluid en gevoel, maar in de cockpit is het een strak geregisseerd samenspel van systemen. Moderne Airbus-vliegtuigen werken met fly-by-wire: de piloot geeft via de sidestick een stuurimpuls en de computer bepaalt hoe de stuurvlakken precies reageren, binnen veilige grenzen. Boeing-toestellen hebben een iets andere filosofie waarbij de piloot meer directe invloed heeft, maar ook hier helpen computersystemen bij het bewaken van limieten.

De autothrust (automatische stuwkrachtsturing) kan tijdens de startrol worden ingesteld op de juiste startvermogenstand (TOGA: Take-Off/Go-Around). De autopiloot zelf is tijdens het opstijgen gewoonlijk niet actief; die wordt pas ingeschakeld na liftoff en bij het bereiken van een veilige hoogte, afhankelijk van de luchtvaartmaatschappij doorgaans boven 400-1.000 voet.

Twee andere systemen spelen een rol die passagiers zelden zien. Het TCAS (Traffic Collision Avoidance System) houdt de omgeving in de gaten op ander luchtverkeer, wat in de buurt van grote luchthavens relevant is. Het GPWS (Ground Proximity Warning System) bewaakt de nabijheid van de grond en waarschuwt bij ongewone dalingen, wat vlak na liftoff actief is. Hoe werkt dat bij een atoombom-scenario of extreme calamiteit? Daar zijn aparte noodprocedures voor, maar die vallen buiten de reguliere opstijgprocedure. Meer over hoe extreme fysische krachten werken lees je bij Wat is een atoombom en hoe werkt het?

Opstijgen is ook de fase waar de weersomstandigheden het meest direct voelbaar zijn. Zijwind van meer dan 20-35 knopen (afhankelijk van vliegtuigtype) kan reden zijn om een andere baan te kiezen of de vlucht uit te stellen. IJsafzetting op vleugels is verboden: bij winter wordt het vliegtuig voor vertrek behandeld met ontijzingsvloeistof. Op veel luchthavens is de maximaal toegestane wachttijd na ijsbehandeling precies vastgelegd. Meer over neerslagmetingen en wat die betekenen in de praktijk lees je bij Is 1 mm regen veel of valt dat mee? en Is 3 mm regen veel? Wat het echt betekent.

Bijzondere opstijgsituaties: drie concrete varianten

Niet elk opstijgen verloopt hetzelfde. Drie situaties verdienen aparte aandacht omdat ze significant afwijken van het standaardproces.

Variant 1: Kortebaan-opstijgen (short-field takeoff)
Op kleine regionale luchthavens met een baan van minder dan 1.500 meter is de techniek anders. De piloot trekt de vliegtuigneus iets vroeger omhoog dan normaal en accepteert een iets lagere stijgsnelheid direct na liftoff. Dit verkort de benodigde baanlengte maar stelt hogere eisen aan de precisie. Propellervliegtuigen en kleinere regionale jets worden vaker in deze situatie ingezet.

Variant 2: Opstijgen op grote hoogte (high-altitude airport)
Luchthavens op grote hoogte zijn een aparte categorie. Op Kunming Changshui in China (1.900 m) of La Paz in Bolivia (4.061 m) is de lucht aanzienlijk dunner. Motoren leveren minder stuwkracht en vleugels genereren minder lift bij dezelfde snelheid. V-snelheden liggen hoger, de baanlengte die nodig is neemt sterk toe en de startgewichten worden beperkt. Sommige luchthavens staan bepaalde vliegtuigtypes alleen in de ochtend toe, wanneer de lucht koeler en dus dichter is.

Variant 3: Opstijgen met een defecte motor (engine failure after V1)
Dit is de procedure die elke piloot intensief oefent in de simulator, maar die in de praktijk zelden voorkomt. Als een motor uitvalt na V1, is doorgaan de enige optie. Het vliegtuig is gecertificeerd om veilig te stijgen op het resterende motorvermogen. De piloten volgen een vaste procedure: het uitgevallen motordruk stabiliseren, het vliegtuig rechthouden met het roer, klimmen naar een veilige hoogte en dan de checklists afhandelen voor de noodlanding of terugkeer naar de luchthaven. Minder dan 1 op de 500.000 vluchten maakt een motoruitval tijdens het opstijgen mee, maar alle procedures zijn ontworpen op dit scenario.

De rol van de vleugel: hoe lift fysisch werkt

Zonder lift geen opstijgen. Lift is de kracht die een vliegtuig omhooghoudt en wordt gegenereerd door de vleugels. Twee principes werken daarin samen.

Het eerste is het principe van Bernoulli: de bovenzijde van een vleugel is boller dan de onderzijde. Lucht die over de bovenkant stroomt, moet een langere weg afleggen dan lucht onder de vleugel. Daardoor stroomt de lucht boven de vleugel sneller, wat een lagere druk creëert (onderdruk). Het drukverschil tussen boven en onder duwt de vleugel omhoog.

Het tweede principe is de aanvalshoek: door de neus omhoog te brengen bij rotatie, treffen de vleugels de lucht niet meer horizontaal maar onder een kleine hoek. De lucht wordt actief naar beneden afgebuigd, wat een tegengestelde kracht omhoog genereert (Newton: actie is gelijke en tegengestelde reactie). Bij een te grote aanvalshoek stopt de lucht echter met geordend stromen en ontstaat een aerodynamische overtrek (stall): de lift valt weg. Vandaar dat rotatie altijd nauwkeurig wordt uitgevoerd, nooit te abrupt.

De verhouding tussen lift en de luchtweerstand (drag) bepaalt hoe efficiënt een vliegtuig stijgt. Moderne vliegtuigen als de Airbus A350 of Boeing 787 Dreamliner hebben een lift-to-drag-verhouding van circa 20:1 in cruise, wat betekent dat ze voor elke newton weerstand twintig newton lift genereren. Bij lage opstijgsnelheden met flaps is die verhouding lager, maar nog steeds indrukwekkend genoeg om honderden tonnen staal de lucht in te sturen.

Wil je meer weten over fasering en stapsgewijze processen in heel andere contexten? Bij Stappen wetenschappelijk onderzoek: tips en gids lees je hoe je een gestructureerd proces van begin tot einde opbouwt. En voor wie graag begrijpt hoe de natuur vergelijkbare fasering gebruikt, is het artikel over Hoe ontstaat een tsunami en wat zijn de oorzaken? een interessante parallel: ook daar gaat het om opeenvolgende fasen die elk hun eigen dynamiek hebben.

Veelgestelde vragen

Hoe lang duurt het opstijgproces van een vliegtuig?

Het opstijgproces van startrol tot volledig ingetrokken flaps duurt bij een gemiddeld commercieel vliegtuig 3-5 minuten. De startrol zelf neemt 30-60 seconden in beslag. De klim naar cruisehoogte duurt daarna nog 20-35 minuten, maar dat wordt doorgaans niet als onderdeel van het opstijgen geteld.

Waarom hoor je een klap of knal tijdens het opstijgen?

Het mechanische geluid na liftoff is het intrekken van het landingsgestel. De wielen klikken in hun behuizing en de deurtjes sluiten zich. Soms hoor je ook een verandering in motorgeluid: dat is het terugschakelen van startvermogen naar klimvermogen, wat gebeurt op 1.000-1.500 voet hoogte als onderdeel van de geluidsgereduceerde procedure.

Wat betekent V1 precies en wat gebeurt er als er iets misgaat voor V1?

V1 is de snelheid waarboven de start niet meer kan worden afgebroken. Gaat er iets mis voor V1, dan remmen de piloten maximaal en zetten ze de motoren stop. Na V1 is de baan te kort om tot stilstand te komen, dus dan gaat het vliegtuig de lucht in, ook bij een technisch probleem. V1 wordt per vlucht berekend en varieert met gewicht, temperatuur, wind en baanlengte.

Zijn vliegtuigen in andere landen verplicht hetzelfde opstijgproces te volgen?

De basisprincipes zijn wereldwijd vastgelegd door de ICAO (International Civil Aviation Organization), het VN-luchtvaartorgaan. Alle 193 lidstaten, waaronder Nederland, zijn verplicht deze normen te volgen. Details zoals geluidsprocedures en afwijkende procedures voor specifieke luchthavens kunnen per land of per luchthaven verschillen, maar de V-snelheidsfilosofie en veiligheidsmarge zijn universeel.

Mag een vliegtuig opstijgen bij storm of onweer?

Bij lichte tot matige regen is opstijgen normaal mogelijk. Onweer direct boven de luchthaven of in de vertrekroute is een reden om de start uit te stellen. Ernstige windschering (plotselinge verandering van windsnelheid of richting op lage hoogte) is gevaarlijker dan de storm zelf en wordt actief gemonitord. Piloten ontvangen actuele weerrapporten (ATIS, SIGMET) vóór en tijdens het taxiën. IJsafzetting op de vleugels is nooit toegestaan: het toestel wordt voor vertrek behandeld met ontijzingsvloeistof.

Wat is het verschil tussen het opstijgen van een passagiersvliegtuig en een jachtvliegtuig?

Een militair jachtvliegtuig zoals een F-35 of F-16 heeft een enorm stuwkracht-gewichtsverhouding van meer dan 1:1, wat betekent dat het verticaal kan opstijgen in sommige configuraties. De opstijgsnelheid ligt veel hoger en de baanlengte veel korter dan bij een commercieel toestel. Een Boeing 737 heeft een stuwkracht-gewichtsverhouding van circa 0.3:1 en is volledig afhankelijk van de vleugellift. De fysische principes zijn hetzelfde, maar de schaal en dynamiek zijn radicaal anders.

VL
Redactie Veel.nlOnze redactie schrijft informatieve artikelen over uiteenlopende onderwerpen.

Geef een reactie