De Romeinse kalender begon met slechts tien maanden en eindigde als basis voor de kalender die wij vandaag nog steeds gebruiken. Die ontwikkeling nam meer dan zeven eeuwen in beslag, met hervormingen door koningen, dictators en astronomers. Wie begrijpt hoe de Romeinse kalender werkte, begrijpt meteen waarom september de negende maand heet maar zijn naam letterlijk “zevende” betekent.
De oerkalender van Romulus: tien maanden en 304 dagen
De oudste Romeinse kalender wordt toegeschreven aan Romulus, de legendarische stichter van Rome, en zou dateren uit de achtste eeuw voor Christus. Deze kalender telde tien maanden en begon in maart. Het jaar had in totaal 304 dagen, verdeeld over zes maanden van 30 dagen en vier maanden van 31 dagen.
Dat klinkt onpraktisch, en dat was het ook. De winter viel buiten de kalender. Officieel bestond die periode niet, want er werd niet geboerd en er werd ook niet gevochten. Pas in maart, het begin van het landbouw- en militaire seizoen, begon het jaar opnieuw. Maanden hadden dan ook directe verbanden met activiteiten: maart was vernoemd naar Mars, de god van de oorlog, omdat dat het seizoen was om op campagne te gaan.
De tien maanden van de Romulus-kalender waren: Martius (maart, 31 dagen), Aprilis (april, 30 dagen), Maius (mei, 31 dagen), Iunius (juni, 30 dagen), Quintilis (de vijfde, 31 dagen), Sextilis (de zesde, 30 dagen), September (de zevende, 30 dagen), October (de achtste, 31 dagen), November (de negende, 30 dagen) en December (de tiende, 30 dagen). De namen Quintilis tot en met December zijn gewoon Latijnse telwoorden: vijf, zes, zeven, acht, negen en tien. Dat verklaart precies waarom die namen niet meer kloppen als je ze telt in onze huidige kalender.
Het systeem was gebaseerd op de maancyclus, maar niet nauwkeurig gesynchroniseerd met de echte lunaire kalender. Priesters (pontifices) voegden dagen toe wanneer dat nodig leek, wat het systeem fraudegevoelig maakte. Politici konden de kalender manipuleren om hun ambtstermijn te verlengen of die van een tegenstander in te korten.
Numa Pompilius voegt twee maanden toe
Rond 713 voor Christus voerde de tweede koning van Rome, Numa Pompilius, een ingrijpende hervorming door. Hij voegde twee nieuwe maanden toe aan het begin en het einde van het jaar: Ianuarius (januari, vernoemd naar Ianus, de tweekoppige god van begin en einde) en Februarius (februari, vernoemd naar het reinigingsfeest februa).
Daarmee telde het jaar 355 dagen, opgebouwd uit maanden met een oneven aantal dagen. Oneven getallen golden bij de Romeinen als gelukkig. Alleen februari was een uitzondering: die telde 28 dagen, een even getal. Dat had te maken met de religieuze reiniging die de maand omringde. De dood werd geassocieerd met even getallen, en de februa-feesten hadden een verbinding met de onderwereld.
Het jaar van 355 dagen was nog steeds te kort om gelijk te lopen met het zonnejaar van ongeveer 365,25 dagen. Elk jaar liep de kalender circa tien dagen achter op de seizoenen. Om dat bij te sturen, voegden de pontifices om de twee jaar een intercalatiemaand (Mercedonius of Intercalaris) in, na 23 februari. Die maand telde 22 of 23 dagen en bracht het gemiddelde jaarlengte dichter bij de werkelijkheid. Het probleem was dat de pontifices die schrikkeldagen willekeurig en soms politiek gemotiveerd inlasten. Aan het eind van de Republiek liep de kalender maanden voor of achter op de werkelijke seizoenen.
De structuur van een Romeinse maand: Kalenden, Nonen en Iden
Wat de Romeinse kalender echt bijzonder maakt, is hoe de Romeinen data aanduidde. Ze gebruikten geen simpele nummering van 1 tot 30. In plaats daarvan had elke maand drie vaste ankerpunten, en een datum werd altijd uitgedrukt als het aantal dagen dat nog resteerde voor het volgende ankerpunt.
De drie ankerpunten waren:
- Kalendae (Kalenden): altijd de eerste dag van de maand. Hiervan is ons woord “kalender” afgeleid.
- Nonae (Nonen): de vijfde dag van de meeste maanden, maar de zevende dag in maart, mei, juli en oktober.
- Idus (Iden): de dertiende dag van de meeste maanden, maar de vijftiende in maart, mei, juli en oktober.
Tellen deed men inclusief, wat betekent dat de dag zelf ook werd meegeteld. De beroemde uitdrukking “Idibus Martiis” (de Iden van maart) verwijst naar 15 maart, de dag waarop Julius Caesar in 44 voor Christus werd vermoord. De Iden van maart waren ook religieus belangrijk: ze markeerden het feest voor Mars en een processie te paard. Als iemand zei “drie dagen voor de Iden”, bedoelde hij de dag twee dagtellingen eerder, dus de 13e in een normale maand.
Elke Kalenden was ook betaaldag. Schulden werden op de eerste van de maand afgelost. Het woord “calendarium” (rekening, schuldboek) geeft dat direct aan.
De Juliaanse hervorming van 45 voor Christus
Julius Caesar loste het almaar groeiende probleem van de kalenderachterstand op met een fundamentele hervorming. Op advies van de Alexandrijnse astronoom Sosigenes voerde hij in 45 voor Christus de Juliaanse kalender in. Omdat de kalender op dat moment ruim twee maanden achterliep op de seizoenen, voegde Caesar eerst een uitzonderlijk lang jaar in: het jaar 46 voor Christus telde 445 dagen en staat bekend als het “jaar van verwarring” (annus confusionis).
Daarna gold een nieuw systeem:
- Het jaar telt 365 dagen, verdeeld over twaalf maanden.
- Elke vier jaar wordt een schrikkeldag toegevoegd aan februari (als 29e dag).
- Het gemiddelde jaar is daarmee 365,25 dagen, dicht bij het werkelijke zonnejaar van 365,2422 dagen.
- De intercalatiemaand Mercedonius verdwijnt voorgoed.
- Het jaar begint op 1 januari in plaats van 1 maart.
- Maanden krijgen de vertrouwde lengte: 31 of 30 dagen, met uitzondering van februari (28 of 29).
- De maand Quintilis wordt hernoemd naar Julius (onze “juli”), ter ere van Caesar zelf.
Na Caesars dood hernoemde de Senaat Sextilis naar Augustus, ter ere van de eerste keizer. Daarmee kwamen onze huidige maandnamen in gebruik. Caesar maakte ook de pontifices bevoegd om de schrikkeljaren te berekenen, maar aanvankelijk pasten zij de schrikkeljaarregels verkeerd toe. Pas in 4 na Christus werd dat gecorrigeerd door keizer Augustus.
Als je nieuwsgierig bent naar Caesars politieke rol en zijn betekenis voor Rome, lees dan ook Wat was Julius Caesar’s rol in de Romeinse geschiedenis?.
Overzicht: de maanden van de Juliaanse kalender na hervorming
Na de Juliaanse hervorming zag de kalender er als volgt uit:
| Maand | Latijnse naam | Dagen | Herkomst naam |
|---|---|---|---|
| Januari | Ianuarius | 31 | Ianus, god van begin en einde |
| Februari | Februarius | 28 (29 schrikkeljaar) | Februa, reinigingsfeest |
| Maart | Martius | 31 | Mars, god van de oorlog |
| April | Aprilis | 30 | Mogelijk aperire (opengaan, bloei) |
| Mei | Maius | 31 | Maia, godin van de vruchtbaarheid |
| Juni | Iunius | 30 | Iuno, godin van het huwelijk |
| Juli | Iulius | 31 | Julius Caesar (voorheen Quintilis) |
| Augustus | Augustus | 31 | keizer Augustus (voorheen Sextilis) |
| September | September | 30 | Septem (zeven, oorspronkelijk 7e maand) |
| Oktober | October | 31 | Octo (acht, oorspronkelijk 8e maand) |
| November | November | 30 | Novem (negen, oorspronkelijk 9e maand) |
| December | December | 31 | Decem (tien, oorspronkelijk 10e maand) |
De maanden juli en augustus kregen allebei 31 dagen. Dat was volgens de overlevering omdat Augustus niet minder dagen wilde hebben dan Caesar. Of dat klopt is onzeker, maar het gevolg was dat februari de korte maand bleef die hij al was.
Religieuze en politieke functie van de kalender
De Romeinse kalender was nooit alleen een tijdmeting. Elke dag had een officiële aanduiding: dies fasti (rechtszittingen waren toegestaan), dies nefasti (rechtszittingen verboden, religieuze handelingen verplicht) of dies comitiales (volksvergaderingen mogelijk). Wie de kalender beheerde, had dus indirect macht over rechtspraak en politiek.
De pontifices, het college van priesters dat toezicht hield op de calender, kondigden elke nieuwe maand aan na het waarnemen van de nieuwe maan. In theorie hield de kalender daarmee verband met de maan, maar in de praktijk hadden de pontifices grote vrijheid om aanpassingen door te voeren. Dat leidde tot misbruik. Er zijn gevallen bekend waarbij politici de kalender lieten aanpassen om een vijand langer in zijn ambt te houden of hem er juist sneller uit te werken.
Feestdagen (feriae) waren ook vastgelegd in de kalender. Grote festiviteiten als de Saturnalia (17-23 december, een soort voorganger van het kerstfeest), de Lupercalia (15 februari) en de Floralia (eind april) waren stevig verankerd in het religieuze jaar. De Saturnalia, met zijn geschenken en rollenomkering tussen meesters en slaven, had een enorme invloed op later Europees feestgebruik. De vergelijking met de Griekse mythologie, die ook diep geworteld was in kalender en seizoenen, is groot: net als bij de Romeinen bepaalden goden als Poseidon het ritme van de natuur en het menselijk leven. En de diepe band tussen mythologie en kalender is ook te zien in andere beschavingen, zoals bij de hiërogliefen van het oude Egypte, die ook religieuze en seizoensgebonden informatie vastlegden.
Van Juliaanse naar Gregoriaanse kalender: wat veranderde er?
De Juliaanse kalender was een enorme verbetering, maar niet perfect. Het werkelijke zonnejaar duurt 365,2422 dagen, terwijl de Juliaanse kalender rekent met 365,25 dagen. Dat verschil van 0,0078 dag klinkt klein, maar over de eeuwen loopt het op. Na 128 jaar is de kalender al een dag achter op de seizoenen.
In 1582 was de lente officieel tien dagen te vroeg gevallen ten opzichte van de kalender, wat problemen gaf bij de berekening van Pasen. Paus Gregorius XIII voerde daarom de Gregoriaanse kalender in. Die corrigeerde het verschil door drie schrikkeldagen per 400 jaar te schrappen: eeuwjaren die niet deelbaar zijn door 400 zijn geen schrikkeljaren. Zo zijn 1700, 1800 en 1900 geen schrikkeljaren, maar 2000 wel.
Protestante landen accepteerden de pauselijke hervorming soms pas veel later. Groot-Brittannië en zijn kolonies schakelden over in 1752. Rusland pas in 1918, na de revolutie. In Nederland werd de Gregoriaanse kalender al in 1582 ingevoerd in de zuidelijke provincies, maar het noorden volgde pas in 1701. Dat zorgde decennialang voor twee officieel geldende datums, wat historici nog steeds hoofdbrekens geeft bij het dateren van documenten. Voor een vergelijkbaar verhaal over hoe culturen kennis en systemen overdragen, is het ook interessant om te lezen over de Steen van Rosetta, die ons liet begrijpen hoe Egyptenaren hun wereld vastlegden.
De erfenis van de Romeinen is direct zichtbaar in onze kalender: de maandnamen, de zeven-daagse week (al overgenomen van Babyloniërs en Joden via Rome), de positie van januari als eerste maand en de schrikkeljaarcyclus. Dat een historische figuur als Caesar zo’n fundamentele stempel heeft gedrukt op hoe wij tijd meten, is een zeldzaam bewijs van zijn invloed. Net als bij andere grote figuren uit de klassieke oudheid, zoals koning Midas, beklijft de herinnering aan Rome door de verhalen en systemen die het achterliet.
Veelgestelde vragen
Waarom heten september, oktober, november en december zo als ze de negende, tiende, elfde en twaalfde maand zijn?
Die namen stammen uit de oerkalender van Romulus, toen het jaar pas in maart begon en tien maanden telde. September was toen de zevende maand (septem = zeven), oktober de achtste, november de negende en december de tiende. Toen Numa Pompilius januari en februari toevoegde, verschoof de volgorde, maar de namen bleven onveranderd. We leven dus met een erfenis van een kalender die meer dan 2.700 jaar oud is.
Wat waren de Kalenden, Nonen en Iden precies?
Dit waren de drie vaste ankerpunten waarmee Romeinen data aanduidde. De Kalenden (Kalendae) waren altijd de eerste dag van de maand. De Nonen (Nonae) vielen op de vijfde dag van de meeste maanden, maar op de zevende in maart, mei, juli en oktober. De Iden (Idus) lagen op de dertiende dag, of de vijftiende in diezelfde vier maanden. Een datum werd uitgedrukt als het aantal dagen dat nog resteerde voor het volgende ankerpunt, inclusief de dag zelf geteld.
Hoe lang was een Romein jaar voor de hervorming van Caesar?
De kalender van Numa Pompilius telde 355 dagen. Dat is ruim tien dagen korter dan het werkelijke zonnejaar van 365,25 dagen. Elke twee jaar werd een intercalatiemaand (Mercedonius) ingevoegd om het verschil bij te werken. Die maand telde 22 of 23 dagen. In de praktijk werd dat systeem echter corrupt beheerd door priesters en politici, waardoor de kalender soms maanden uit de pas liep met de seizoenen.
Waarom heeft februari minder dagen dan de andere maanden?
Dat heeft meerdere oorzaken. Numa Pompilius gaf bijna alle maanden een oneven getal dagen, omdat oneven getallen als gelukkig golden. Februari was de uitzondering met 28 dagen, omdat de maand verbonden was met doodsriten en reiniging (de februa), en even getallen werden geassocieerd met de dood. Na de Juliaanse hervorming bleef februari de korte maand. Er is ook een populaire overlevering dat augustus, vernoemd naar Augustus, zoveel dagen kreeg als juli (31), waardoor februari bij het bijpunten de resterende maand bleef met 28 dagen.
Wanneer werd de Gregoriaanse kalender ingevoerd en wat verschilt die van de Juliaanse?
Paus Gregorius XIII voerde de Gregoriaanse kalender in 1582 in. Het verschil met de Juliaanse kalender zit in de schrikkeljaarcorrectie. In de Juliaanse kalender is elk vierde jaar een schrikkeljaar. In de Gregoriaanse versie vervallen drie schrikkeldagen per 400 jaar: eeuwjaren die niet deelbaar zijn door 400 (1700, 1800, 1900) zijn geen schrikkeljaren. Daarmee is de gemiddelde jaarlengte 365,2425 dagen, wat nog dichter bij het werkelijke zonnejaar ligt. In 1582 werden in katholieke landen tien dagen overgeslagen om de achterstand te herstellen: op 4 oktober volgde direct 15 oktober.
Welke Romeinse feestdagen zijn doorgewerkt in onze huidige kalender of tradities?
Meerdere Romeinse feestdagen hebben sporen nagelaten. De Saturnalia (17-23 december) kende geschenken geven, openbare feesten en een tijdelijke gelijkstelling van slaven en vrijen. Veel historici zien hierin een voorloper van de kersttraditie. De Lupercalia op 15 februari, een reinigings- en vruchtbaarheidsfeest, wordt wel in verband gebracht met Valentijnsdag. De Floralia (eind april, begin mei) ter ere van de bloemengodin Flora leeft misschien voort in Meidag-vieringen. Een directe lijn is zelden te trekken, maar de gelijkenissen zijn opvallend.










