Wanneer is de eerste foto ooit gemaakt? Alles over Niépce en 1826

Esmee Koster

Geupdate op:

Wanneer is de eerste foto ooit gemaakt? Ontdek het hier!
Je leest dit artikel in 9 minuten

Laatst bijgewerkt: 17 mei 2026

De eerste foto ooit gemaakt stamt uit 1826 of 1827, afhankelijk van hoe je “foto” definieert. De Franse uitvinder Joseph Nicéphore Niépce legde toen een beeld vast van het uitzicht vanuit zijn werkkamerraam, op een bitumenplaat, met een belichtingstijd van minimaal acht uur. Die foto bestaat nog steeds en is te zien in de Harry Ransom Center aan de University of Texas in Austin.

Toch is het verhaal van de eerste foto complexer dan één datum. Er zijn eerdere experimenten, andere uitvinders en rivaliserende technieken die elk een rol spelen in het begin van de fotografie. Hieronder vind je alles wat je moet weten: van de technische achtergrond tot de mensen achter de lens, en van de eerste portretfoto tot de doorbraak die fotografie voor iedereen toegankelijk maakte.

Niépce en de heliografie: hoe het begon

Joseph Nicéphore Niépce (1765-1833) was een Franse uitvinder en amateur-wetenschapper uit Chalon-sur-Saône. Hij experimenteerde al jaren met de vraag of het mogelijk was om het beeld dat een camera obscura projecteert, permanent vast te leggen op een drager. De camera obscura zelf bestond al eeuwen: kunstenaars gebruikten het instrument om scènes na te tekenen. Maar een beeld chemisch vastleggen, zonder dat het vervaagde of verkleurde, dat was nog niemand gelukt.

Niépce ontdekte dat bitumen, een aardolieproduct dat ook wel Syrisch asfalt wordt genoemd, na lange blootstelling aan licht harder wordt en niet meer oplost in een verdunningsmiddel. Hij smeerde een dun laagje bitumen op een tinnen plaat, plaatste die plaat in een houten camera, richtte die op het raam van zijn werkkamer op het landgoed Le Gras in Saint-Loup-de-Varennes en wachtte. De belichtingstijd was waarschijnlijk meerdere uren op dezelfde dag, al gaan schattingen uiteen van acht uur tot meerdere dagen. Het resultaat was een vaag, maar herkenbaar beeld van de daken, een binnenplaats en een stukje hemel.

Hij noemde zijn methode “heliografie”, van het Griekse woord voor zon: helios. De zon was letterlijk de schrijver van het beeld. De techniek was traag en leverde onduidelijke resultaten op, maar het principe werkte. Niépce had aangetoond dat permanente lichtfixatie mogelijk was. Dat was de doorbraak die alles in gang zette.

In 2002 werd bovendien een nog oudere foto van Niépce geïdentificeerd: een afdruk van een 17e-eeuwse gravure die een stalknecht met een paard toont, vermoedelijk gemaakt in 1825. Deze foto is gemaakt op een metaalplaat en geldt nu als het alleroudste bekende fotografische beeld, al is de “Point de vue du Gras” (het uitzicht vanuit zijn raam) de beroemdste en meest besproken.

Tijdlijn: de belangrijkste mijlpalen in de vroege fotografie

De eerste foto is niet één moment. Het is het resultaat van tientallen jaren experimenten door meerdere uitvinders, verspreid over Europa. Hieronder zie je de belangrijkste stappen op een rij.

Jaar Wie Wat
1725 Johann Heinrich Schulze Ontdekt dat zilverzouten donker worden in licht, de chemische basis van fotografie
1816 Joseph Nicéphore Niépce Maakt eerste tijdelijke beelden met een camera en lichtgevoelig papier, maar kan ze niet fixeren
1825 Joseph Nicéphore Niépce Maakt de oudst bekende foto: een contact-afdruk van een gravure op metaal
1826/1827 Joseph Nicéphore Niépce “Point de vue du Gras”: de oudste bewaard gebleven foto van een echt buitenscène
1835 William Henry Fox Talbot Maakt eerste “photogenic drawings” op lichtgevoelig papier
1837 Louis Daguerre Perfectioneert de daguerreotypie: scherpe beelden in minuten in plaats van uren
1839 Franse overheid Daguerreotypie wordt publiek gemaakt via een presentatie van de Académie des Sciences
1840 William Henry Fox Talbot Introduceert de calotype: negatief-positiefproces dat reproduceerbare afdrukken mogelijk maakt
1888 George Eastman / Kodak Eerste camera voor consumenten met rolfilm, fotografie wordt voor iedereen toegankelijk

Elke stap in deze tijdlijn bouwde voort op de vorige. Niépce legde het fundament, Daguerre maakte het praktisch en Talbot zorgde voor het principe dat de basis vormt van vrijwel alle latere analoge fotografie. Meer over andere historische ontdekkingen uit dezelfde periode lees je in het artikel over hoe de Steen van Rosetta werd ontdekt.

Louis Daguerre en de doorbraak van 1839

Na de dood van Niépce in 1833 werkte zijn zakenpartner Louis-Jacques-Mandé Daguerre (1787-1851) verder aan het verbeteren van de fotografie. Daguerre was schilder en decorontwerper van beroep, beroemd om zijn diorama’s: grote verlichte schilderingen die publiek trokken in Parijs. Hij had al jaren contact met Niépce en wist dat de heliografie te langzaam was voor praktisch gebruik.

Rond 1835 ontdekte Daguerre naar verluidt bij toeval dat kwikdamp een latent beeld op een met zilverijodide bedekte plaat kon zichtbaar maken. Een zilveren plaat, kort belicht en daarna blootgesteld aan kwikdamp, gaf een scherp, gedetailleerd beeld na slechts enkele minuten belichting. Dat was een revolutie vergeleken met de uren of dagen van Niépce.

Op 7 januari 1839 werd de daguerreotypie officieel gepresenteerd aan de wereld tijdens een gezamenlijke bijeenkomst van de Académie des Sciences en de Académie des Beaux-Arts in Parijs. De Franse overheid kocht het patent en stelde het vrij beschikbaar voor iedereen, met uitzondering van Groot-Brittannië. Het publiek reageerde enthousiast. Binnen maanden waren daguerreotypiestudio’s te vinden in steden door heel Europa en Amerika.

De daguerreotypie had wel een belangrijk nadeel: elk beeld was uniek. Je kon er geen kopieën van maken. Dat probleem loste de Brit William Henry Fox Talbot op met zijn eigen uitvinding, die hij bijna gelijktijdig aankondigde.

William Henry Fox Talbot en het negatief-positiefproces

William Henry Fox Talbot (1800-1877) was wiskundige, taalkundige en wetenschapper. In 1835 begon hij experimenten met lichtgevoelig papier, gecoat met zilverchloride. Al in 1835 maakte hij kleine “photogenic drawings”: beelden van bladeren, kanten en raamkozijnen. Zijn beroemdste vroege foto is een klein negatief van een raam in zijn landhuis Lacock Abbey in Wiltshire, vermoedelijk uit 1835.

Talbot had een fundamenteel ander idee dan Niépce en Daguerre. In plaats van één directe afbeelding op een drager te fixeren, maakte hij eerst een negatief: een beeld waarbij licht donker is en donker licht. Van dat negatief kon hij daarna talloze positieve afdrukken maken door het negatief op nieuw lichtgevoelig papier te leggen en te belichten. Dit negatief-positiefprincipe is de basis van vrijwel alle analoge fotografie tot en met de 20e eeuw.

In 1840 verbeterde Talbot zijn methode en noemde het resultaat de “calotype”. De calotype was minder scherp dan de daguerreotypie, maar had één groot voordeel: reproduceerbaarheid. Eén negatief leverde onbeperkt afdrukken op. Dit principe maakte uiteindelijk portretfoto’s, familiefoto’s en de commerciële fotografie mogelijk. Meer over historische ontdekkingen die de wereld veranderden lees je ook bij wie ontdekte dat de aarde rond is.

De eerste portretfoto en andere vroege mijlpalen

Naast de technische uitvindingen zijn er ook specifieke “eerste keren” die de geschiedenis van de fotografie markeren.

De eerste portretfoto (1839-1840)
De oudste bewaard gebleven portretfoto dateert van 1839 of 1840. Ze is gemaakt door de Amerikaan Robert Cornelius, een lampenmaker uit Philadelphia. Hij richtte een daguerreotypiecamera op zichzelf in de tuin achter zijn winkel en zat stilletjes te wachten terwijl het objectief open stond. Het resultaat is een wazig maar herkenbaar portret van een jonge man met verwarde haren. Op de achterkant schreef hij: “The first light picture ever taken.” Of het werkelijk de eerste was staat ter discussie, maar het is wel de vroegst gedocumenteerde selfie van de fotogeschiedenis.

De eerste foto van mensen (1838)
Daguerre maakte in 1838 een foto van de Boulevard du Temple in Parijs. Omdat de belichtingstijd nog altijd meerdere minuten bedroeg, waren bewegende mensen, rijtuigen en paarden niet zichtbaar op het beeld. Maar één man stond lang genoeg stil: iemand die zijn schoenen liet poetsen. Hij werd onbewust de eerste persoon die ooit op een foto te zien is.

De eerste luchtfoto (1858)
De Franse fotograaf Gaspard-Félix Tournachon, bekend als Nadar, maakte in 1858 de eerste luchtfoto ter wereld vanuit een luchtballon boven Parijs. De originele foto is verloren gegaan, maar latere opnames van hem uit 1866 zijn wel bewaard.

De eerste kleurenfoto (1861)
De Schotse fysicus James Clerk Maxwell maakte in 1861 de eerste geslaagde kleurenfoto. Hij fotografeerde een lint van geruite stof drie keer, telkens met een ander kleurfilter (rood, groen en blauw), en projecteerde de drie beelden vervolgens over elkaar. Het resultaat was een kleurenafbeelding. Dit driekleurenprincipe ligt aan de basis van kleurenfotografie tot op de dag van vandaag.

Elk van deze “eerste keren” laat zien hoe snel de technologie zich ontwikkelde. Binnen dertig jaar na de “Point de vue du Gras” van Niépce was fotografie al uitgegroeid tot een veelzijdig medium dat mensen, steden en kleuren kon vastleggen. Net zoals andere culturele uitvindingen hun tijd overstegen, deed fotografie dat ook. Denk aan hoe mythologie het verleden door beelden en verhalen bewaarde, lang voor de camera bestond.

Daguerreotypie versus calotype: twee concurrerende technieken vergeleken

In de jaren 1840 waren er twee hoofdtechnieken op de markt, elk met eigen voor- en nadelen. Het is nuttig die naast elkaar te zetten, want ze bepaalden voor een groot deel hoe fotografie zich verder ontwikkelde.

Kenmerk Daguerreotypie (Daguerre, 1839) Calotype (Talbot, 1840)
Drager Zilveren metaalplaat Papier
Scherpte Zeer hoog, tot in detail Lager, papierstructuur zichtbaar
Reproduceerbaarheid Geen: elk beeld is uniek Ja: negatief levert onbeperkt afdrukken
Belichtingstijd (1840) 1-30 minuten, afhankelijk van licht Vergelijkbaar, iets langer
Kosten Hoog: zilverplaat Lager: papier als drager
Populair in Portretfotografie, Amerika en Europa Documentaire fotografie, reizen
Erfenis Collector’s items, musea Directe voorloper analoge film

De strijd tussen de twee technieken duurde ongeveer twee decennia. Uiteindelijk won het negatief-positiefprincipe van Talbot, niet als calotype maar in een verbeterde vorm: het collodiumproces (1851) en later de gelatinenfilm. De daguerreotypie verdween rond 1860 vrijwel volledig, al zijn er vandaag de dag kunstenaars die de techniek nieuw leven inblazen als ambachtelijke kunstvorm. Dit soort historische concurrentie tussen ideeën en technologieën herken je ook in andere perioden, zoals bij Julius Caesars rol in de Romeinse geschiedenis.

Wat maakt de “Point de vue du Gras” zo bijzonder?

De foto van Niépce is niet fraai. Ze is wazig, de schaduwen kloppen niet goed (de zon stond tijdens de lange belichtingstijd op meerdere posities tegelijk), en het formaat is klein: ongeveer 16 bij 20 centimeter. Toch heeft ze een unieke historische status.

De “Point de vue du Gras” toont het uitzicht vanuit de bovenkamer van het landgoed Le Gras in de Bourgognestreek in Frankrijk. Je ziet links een vleugel van het huis, in het midden een binnenplaats en rechts nog een gebouwdeel, met daarboven een stukje hemel. Meer detail is er niet. Maar dit onscherpe, grijzige rechthoekje is het oudste bekende beeld dat door licht zelf op een drager is geschreven, zonder tussenkomst van een mensenhand.

De plaat raakte na de dood van Niépce in 1833 zoek en dook pas in 1952 op bij een veiling in Londen. Fotografie-historici Helmut en Alison Gernsheim herkenden het belang en kochten de plaat. Na onderzoek aan de University of Texas, waar de plaat nu wordt bewaard, werd de datering 1826-1827 bevestigd.

Om de foto zichtbaar te maken voor het publiek werd ze opnieuw gefotografeerd onder schuin invallend licht. De resulterende afbeelding die je online en in boeken ziet, is dus een moderne foto van de originele plaat, niet een directe digitale scan. Dit maakt de verspreiding ervan extra bijzonder: de oudste foto ter wereld is voor miljoenen mensen zichtbaar dankzij moderne fotografische technieken die ruim anderhalve eeuw later werden uitgevonden.

Van glasplaat tot digitaal: hoe fotografie voor iedereen werd

Na de daguerreotypie en calotype volgde een snelle reeks verbeteringen die fotografie steeds toegankelijker maakten. Het collodiumproces uit 1851 maakte glasplaten lichtgevoeliger en goedkoper. Portretfotografen openden studio’s in elke stad van enige omvang. Mensen die nooit een geschilderd portret konden betalen, lieten nu hun beeltenis vastleggen op glas of papier.

George Eastman veranderde in 1888 alles met de introductie van de Kodak-camera. Deze kleine, draagbare camera was al geladen met een rolfilm van 100 opnames. Na gebruik stuurde je de hele camera terug naar Kodak, die de film ontwikkelde, afdrukken maakte en de camera opnieuw laadde terugstuurde. De slogan was: “You press the button, we do the rest.” Fotografie was niet langer voorbehouden aan professionals of welgestelden.

De 20e eeuw bracht kleurenfilm (Kodachrome vanaf 1935), de Polaroid-camera voor directe afdrukken (1947) en uiteindelijk de digitale sensor (eerste commerciële digitale camera: Dycam Model 1, 1990). Tegenwoordig maakt de gemiddelde smartphone betere foto’s dan een professionele studio-opstelling uit de jaren 1970. Toch begon dat allemaal met de bitumenplaat van een Franse uitvinder die acht uur geduldig wachtte op zijn zolderkamer in de Bourgogne.

De parallellen met andere culturele doorbraken zijn treffend. Net zoals het ontcijferen van hiërogliefen of de verhalen van Anne Frank het verleden tot leven brengen via tekst, doet fotografie dat via beeld. En net als bij de Venus van Milo geldt voor veel vroege foto’s: de omstandigheden van vondst en bewaring bepalen mede de status van een historisch object.

Veelgestelde vragen

Wanneer is de allereerste foto ooit gemaakt?

De oudste bewaard gebleven foto van een echte buitenscène dateert van 1826 of 1827 en is gemaakt door de Fransman Joseph Nicéphore Niépce. Een nóg oudere foto van hem, een contact-afdruk van een gravure op metaalplaat, stamt vermoedelijk uit 1825 en wordt beschouwd als het alleroudste fotografische beeld ooit. Beide werken van Niépce gelden als de geboorte van de fotografie.

Wie heeft de eerste foto ooit gemaakt?

Joseph Nicéphore Niépce, een Franse uitvinder (1765-1833), heeft de eerste foto gemaakt. Hij experimenteerde al een decennium met lichtgevoelige stoffen voordat hij in 1825-1827 slaagde in permanente lichtfixatie. Zijn zakenpartner Louis Daguerre maakte fotografie later snel en praktisch bruikbaar, maar Niépce was de pionier die het fundament legde.

Hoe lang duurde de belichtingstijd van de eerste foto?

De “Point de vue du Gras” van Niépce had een belichtingstijd van minstens acht uur, mogelijk verspreid over meerdere uren op dezelfde dag. Doordat de zon tijdens de belichting van positie veranderde, zijn de schaduwen op de foto inconsistent: zowel de linker- als de rechterkant lijkt belicht. Dit is een van de kenmerken waarmee historici de foto dateren en de belichtingstijd reconstrueren.

Hoe verschilt de daguerreotypie van de calotype?

De daguerreotypie (Daguerre, 1839) maakte scherpe, gedetailleerde beelden op een zilveren metaalplaat, maar elk beeld was uniek en kon niet worden gekopieerd. De calotype (Talbot, 1840) gebruikte een papieren negatief waarvan onbeperkt positieve afdrukken konden worden gemaakt. De calotype was minder scherp, maar haar negatief-positiefprincipe werd de basis van alle latere analoge fotografie, inclusief rolfilm en glasplaatprocedés.

Waar bevindt de eerste foto ter wereld zich nu?

De originele “Point de vue du Gras” van Niépce bevindt zich in de collectie van het Harry Ransom Center aan de University of Texas in Austin, in de Verenigde Staten. Het object werd in 1952 ontdekt bij een veiling in Londen door foto-historici Helmut en Alison Gernsheim. Na uitgebreid onderzoek schonken zij de plaat aan de universiteit, waar ze tot op heden wordt bewaard en bestudeerd.

Wanneer werd fotografie voor gewone mensen toegankelijk?

Een grote stap was 1839, toen de Franse overheid de daguerreotypie publiek maakte: iedereen mocht de techniek gebruiken. Portretfotografie werd in de jaren 1850-1860 betaalbaar dankzij het collodiumproces. De echt grote democratisering vond echter plaats in 1888, toen George Eastmans Kodak-camera met rolfilm op de markt kwam en fotografie ook zonder technische kennis mogelijk maakte voor een breed publiek.

VL
Redactie Veel.nlOnze redactie schrijft informatieve artikelen over uiteenlopende onderwerpen.

Geef een reactie