Wat aten de Romeinen dagelijks in hun dieet?

Lieke van der Veen

Geupdate op:

Wat aten de Romeinen dagelijks in hun dieet?
Je leest dit artikel in 9 minuten

Laatst bijgewerkt: 3 maart 2026

De Romeinen aten dagelijks drie maaltijden: een licht ontbijt, een eenvoudige lunch en een uitgebreide avondmaaltijd. De basis van hun dieet bestond uit graan, olijfolie, peulvruchten en wijn. Vlees was voor de meesten een bijzaak, al liep dat sterk uiteen per sociale klasse.

Het Romeinse Rijk strekte zich op zijn hoogtepunt uit van Britannia tot Mesopotamia, en die reikwijdte bepaalde ook het eetpatroon. Specerijen uit India, dadels uit Noord-Afrika, wijn uit Griekenland en olijfolie uit Hispania belandden op Romeinse tafels. Wat je at, hing in de eerste plaats af van je portemonnee.

Welke drie maaltijden aten de Romeinen elke dag?

Het dagritme van een Romein kende drie vaste eetmomenten. Ze hadden daarvoor Latijnse namen: jentaculum, prandium en cena. Die structuur klinkt vertrouwd, maar de invulling verschilde enorm van wat wij gewend zijn.

Het jentaculum (ontbijt) werd vroeg in de ochtend genuttigd, soms al voor zonsopgang. Het was een kleine, snelle maaltijd. Brood gedoopt in wijn of olijfolie, een stuk kaas, wat olijven of gedroogde vijgen. Rijke Romeinen konden een wit, fijn gemalen brood eten. Armen namen genoegen met grof bruinbrood, gemaakt van de restzeven na het bleken. Kinderen kregen soms brood met honing. Vlees stond bij het ontbijt nauwelijks op tafel.

De prandium (lunch) was ook simpel, bijna altijd koud. Restjes van de avond ervoor, een stuk brood met kaas, wat noten of fruit. Romeinen die buiten werkten pakten hun prandium mee, net als tegenwoordig een lunchpakket. Thermopolia, de Romeinse variant van een snackbar, serveerden kleine warme maaltijden langs de straat. In Pompeii zijn tientallen van deze eetgelegenheden teruggevonden, compleet met ingemetselde potten.

De cena (avondmaal) was veruit de belangrijkste maaltijd. Die begon rond het vierde uur na de middag en kon bij rijke gezinnen uren duren. Voor gewone Romeinen was de cena eenvoudiger: een kom puls met groente of peulvruchten. Bij welgestelde Romeinen bestond de cena uit meerdere gangen.

Maaltijd Latijnse naam Tijdstip Typische inhoud (gewone Romein)
Ontbijt Jentaculum Bij zonsopgang Brood, kaas, olijven, wijn of water
Lunch Prandium Rond de middag Restjes, brood, fruit, noten, koude groente
Avondmaal Cena Namiddag tot avond Puls, peulvruchten, groente, soms vis of vlees
Avondmaal (rijk) Cena (3 gangen) Namiddag Gustatio, primae mensae, secundae mensae
Nagerecht Secundae mensae Na de cena Fruit, noten, honing, zoete koekjes
Feestmaal Convivium Avond tot nacht Meerdere gangen, exotische producten, wijn

Wat was de basis van het dagelijkse Romeinse dieet?

Graan was de absolute hoeksteen. Tarwe en gerst waren de meest geteelde gewassen in het Romeinse Rijk, en ze verwerkt tot brood of pap. De Grieken hadden al eeuwenlang op gerst geleefd, maar de Romeinen prefereerden tarwe. In de vroege Republiek at praktisch iedereen puls, een dikke graanpap gekookt met water, soms aangelengd met melk. Later verdween puls iets naar de achtergrond naarmate brood de standaard werd, maar voor de armste bevolking bleef pap eeuwenlang het staple food.

Olijfolie speelde een minstens even grote rol. Je gebruikte het om in te koken, om brood in te dopen, als smaakmaker bij groente en als conserveermiddel. Zonder olijfolie was de Romeinse keuken ondenkbaar. De productie was enorm: Hispania (het huidige Spanje) was de grootste leverancier van olijfolie aan Rome. Overal in het Rijk zijn amforen gevonden die olijfolie transporteerden.

Peulvruchten als linzen, kikkererwten en bonen stonden op bijna elke Romeinse tafel. Ze waren goedkoop, voedzaam en eenvoudig te bewaren. Gecombineerd met graan leverden ze alle essentiële eiwitten op die iemand nodig had. Groenten als kool, prei, uien, knoflook, rapen en wortelen waren wijdverbreid. Kool gold als een echt superfood in de ogen van de Romein: de arts en staatsman Cato de Oudere (234-149 v.Chr.) schreef er uitgebreid over als geneesmiddel. Fruit at je vers in de zomer, gedroogd in de winter. Vijgen, dadels, granaatappels en druiven waren populair.

Kaas was een alledaags product. Schapen- en geitenkaas kwamen vaker voor dan koemelkkaas. Je at kaas bij het ontbijt, als tussendoortje of geraspt over gerechten. Honing was de voornaamste zoetstof. Suiker kende men niet. Wijn was alomtegenwoordig: ook bij de lunch werd wijn met veel water gemengd gedronken, ook door kinderen. Pure wijn drinken gold als barbaars.

Hoe verschilden de eetgewoonten van arm en rijk?

Het contrast was enorm. Een slaaf of een arme arbeider at voornamelijk puls, grove brood, wat groente en misschien een klein stukje vis of goedkoop zout vlees. Zijn calorie-inname was voldoende voor zwaar werk, maar variatie ontbrak. De Romein van de straat kookte thuis nauwelijks. Stadsarmen hadden geen keuken in hun insula (huurblok), of een simpel oliepitje als enige warmtebron. Ze aten dan ook regelmatig bij thermopolia.

De rijke Romein leefde in een heel andere wereld. Zijn cena was een sociaal spektakel. De gustatio (voorgerecht) bestond uit klein hapjes: olijven, eieren, schaaldieren, vijgen en een drank van honing gemengd met wijn (mulsum). Dan volgde de eigenlijke maaltijd met vis, gevogelte, varkensvlees of wild. Exotische ingredienten als flamingo’s, eekhoorns, gevulde varkens en pauwenvlees verschenen op de tafels van de allerrijkste Romeinen. Dit was niet alledaags, maar het hoort bij het beeld van de Roomse overdaad dat overleveringen als die van Petronius in zijn Satyricon beschrijven.

Tussen arm en rijk zat een grote middenklasse van handelaren, ambachtslieden en vrijgelatenen. Zij aten gevarieerder dan slaven, maar hielden het eenvoudiger dan senatoren. Vlees op tafel een paar keer per week, vis regelmatig, verse groente van de markt.

  • Slaven en armen: puls, grof brood, gezouten vis, grove groente, water of goedkope wijn
  • Middenklasse: wit brood, kaas, verse groente, vis, soms varkensvlees of gevogelte, gewone wijn
  • Rijken: meerdere gangen, exotisch wild, schaaldieren, verfijnde sauzen, geimporteerde specerijen, kwalitatieve wijn
  • Soldaten: graanrantsoen (frumentum), gedroogd vlees, gezouten vis, azijnwater (posca)

Welke sauzen en kruiden gebruikten de Romeinen?

Garum was de smaakmaker bij uitstek. Het was een gefermenteerde vissaus, gemaakt van de ingewanden en het bloed van vis (vaak makreel of ansjovis) die met zout in grote potten aan de zon werden blootgesteld. Na weken tot maanden gisting sijpelde er een heldere, donkere vloeistof uit. Die vloeistof was garum. Heerlijk, zou je zeggen, maar voor Romeinen was het onmisbaar. Ze gebruikten het zoals wij zout en soja gebruiken: over groente, door sauzen, bij vlees en vis. De fabriekjes voor garum stonken enorm en werden buiten de stadsmuren geplaatst. In Pompeii zijn fabrieksresten gevonden.

Naast garum gebruikten Romeinen ook liquamen (een lichtere vissaus), muria (pekel) en defrutum (ingekookte most uit druiven, voor zoetigheid en conservering). Het combineren van zoet en zout was een kenmerk van de Romeinse smaak, iets wat ons vandaag vaak als vreemd overkomt maar in Aziatische keukens heel gewoon is.

Het kookboek van Apicius, de De Re Coquinaria, geschreven in de eerste of tweede eeuw na Christus, geeft een aardig beeld van de kruiden die Romeinen gebruikten. De lijst is indrukwekkend: tijm, munt, laurier, venkel, wijnruit, bonenkruid, oregano, dille, karwij, knoflook, lavas (een soort selderij) en peterselie. Lavas was bijzonder populair en bijna in elk recept aanwezig. Ook peper was geliefd, hoewel het duur was omdat het per schip uit India moest komen. Peper gold als statussymbool. Bij de plundering van Rome door de Visigoten in 410 na Christus eisten de belegeraars onder meer 3.000 pond peper als losgeld.

Wijnruit was een kruid dat tegenwoordig nauwelijks meer gebruikt wordt, maar in Romein tijd standaard door sauzen en gerechten ging. Het heeft een bittere, aromatische smaak. Veel gerechten uit Apicius combineren wijnruit met garum en honing. Als je het Romeinse smaakpalet in een zin moet omschrijven: zoet, zout, zuur en bitter tegelijk.

Wat aten Romeinse soldaten tijdens campagnes?

Het Romeinse leger was een logistiek meesterstuk. Soldaten marcheerden honderden kilometers en moesten daarvoor goed gevoed blijven. De basis was frumentum: tarwe of gerst, meegedragen als ongepeld graan dat de soldaat zelf maalde en tot brood of pap verwerkte. Elke soldaat droeg een handmolen mee. Per dag ontving een legionair zo’n 800 gram graan als basisrantsoen.

Daarbij kwamen gezouten spek, kaas, olijfolie en azijn. Die azijn werd gemengd met water tot een drank die posca heette. De zure drank remde bacteriegroei en was veiliger dan ongekookt water. Het is dezelfde drank die aan Jezus aangeboden werd tijdens de kruisiging, volgens het Evangelie van Johannes.

In veroverd gebied plunderden soldaten geregeld lokale voorraden. Tijdens langere veldtochten waren legioenen afhankelijk van bevoorradingslijnen. Gedroogd vlees, gedroogde vijgen en noten waren handig mee te nemen. Vers vlees aten soldaten wanneer het beschikbaar was, maar tijdens campagnes was dat eerder uitzondering dan regel. In rust, in het legerkamp, was het eten beter. Archeologisch onderzoek in Vindonissa (het huidige Windisch in Zwitserland) toonde aan dat soldaten er vis, gevogelte en zelfs oesters aten.

Welke invloed had de Romeinse eetcultuur op ons huidige eten?

De Universiteit Leiden publiceerde in december 2023 onderzoeksresultaten waaruit bleek dat de Romeinse keuken gevarieerder en internationaler was dan lang gedacht. Onderzoekers analyseerden plantenresten uit opgravingen verspreid over het Rijk en vonden bewijzen van een breed scala aan gewassen en specerijen, ook in minder welvarende contexten. De Romeinse keuken was dus niet alleen voor de elite toegankelijk.

Veel ingredienten die wij als typisch Italiaans beschouwen kwamen pas later naar Europa. Tomaten, paprika en aardappelen zijn New World-gewassen die pas na 1492 in Europa verschenen. De Romein kende ze niet. Maar andere basisproducten die ze gebruikten, leven voort. Olijfolie en olijven zijn niet weggedacht uit de mediterrane keuken. Garum heeft een directe opvolger in de hedendaagse Worcestershiresaus en Aziatische vissauzen. Lasagne verwijst in zijn naam naar de Latijnse lasanum (kookpot), al was het gerecht zelf in Romeinse tijden anders.

De gewoonte om groot te eten in de avond en licht te ontbijten, zit diep in de mediterrane cultuur verankerd. De Spaanse gewoonte van een late avondmaaltijd en de Italiaanse pranzo als de hoofdmaaltijd halverwege de dag zijn directe erfenissen van het Romeinse eetritme. Ook het gebruik van kruiden als tijm, oregano, laurier en peterselie in de zuidelijke Europese keuken gaat terug op die Romeinse traditie.

Voor wie meer wil lezen over voeding en gezondheid: vergelijk het Romein dieet eens met moderne inzichten rondom eiwitten en bloedwaarden. Zo zijn er interessante verbanden te leggen met klachten bij laag ferritine, want ijzerinname via linzen en peulvruchten was bij Romeinen hoog. Ook de plantaardige basis van het gewone Romeinse dieet sluit aan bij wat we tegenwoordig weten over gezonde voeding. Wie vragen heeft over zijn eigen voedingspatroon en bloedwaarden, kan meer lezen over klachten bij de alvleesklier of over eiwitten in de urine.

Het Romein eetpatroon was rijk aan vezels, laag in verzadigde vetten en gevarieerd door de seizoenen. Historici en voedingsdeskundigen noemen het regelmatig als een vroege variant van het Mediterrane dieet, dat vandaag de dag als een van de gezondste ter wereld beschouwd wordt. De gewone Romein at simpel, maar zeker niet ongezond. Dat kun je niet van alle Romeinen zeggen: de excessen van de elite werden al door tijdgenoten als zedeloos bestempeld.

Voor meer achtergrond over hoe lichamelijke gezondheid en bloedwaarden samenhangen met voeding, lees ook over bloedwaarden bij reuma of over welk brood het beste is bij diabetes type 2. Die verbanden zijn niet altijd direct, maar voeding speelt bij al deze aandoeningen een grote rol, net zoals bij de Romein van tweeduizend jaar geleden.

Wat dronken de Romeinen erbij?

Wijn was de nationale drank. Bier (cervisia) gold als een drank van barbaren: Germanen, Kelten en Egyptenaren dronken bier, maar de beschaafde Romein dronk wijn. Die wijn werd vrijwel altijd gemengd met water, in een verhouding van een deel wijn op twee of drie delen water. Soms voegde men honing toe (mulsum), of specerijen zoals peper en saffraan.

De kwaliteit van wijn varieerde enorm. De beste Romeinse wijnen waren Falernische wijn (uit de regio Campania), Caecuber en Chian wijn. Die konden decennia bewaard worden en werden door rijke verzamelaars in amphorae van meerder jaren oud bewaard. De goedkopere posca, azijn met water, was voor soldaten en armen. Melk dronken volwassenen nauwelijks, dat was voor kinderen en zieken. Water haalden stadsbewoners bij de talrijke fonteinen die de Romeinse aquaducten voedden.

Thee of koffie kende men niet. Kruidenthee in moderne zin ook niet, al maakten geneesheren aftrekksels van kruiden voor medicinale doeleinden. De Romein die dorst had, greep naar zijn beaker wijn met water. Het was eenvoudigweg de dagelijkse drank, van ontbijt tot avond.

Veelgestelde vragen

Aten alle Romeinen elke dag vlees?

Nee, vlees was zeker geen dagelijkse kost voor de meeste Romeinen. De gewone bevolking at voornamelijk graan, peulvruchten, groente en kaas. Vlees, en dan vooral varkensvlees en gevogelte, was weggelegd voor de middenklasse en rijken. Vis was goedkoper dan vlees in een kuststad als Ostia, maar ook niet voor iedereen dagelijks bereikbaar. Gezouten vis (zoals garum als smaakmaker) was wel alomtegenwoordig.

Wat was garum precies en hoe smaakte het?

Garum was een gefermenteerde vissaus gemaakt van ingewanden, bloed en kleine visjes met zout, die weken tot maanden in de zon stonden te fermenteren. Het resultaat was een donkere, vloeibare saus met een intense umami-smaak. Vergelijkbaar met Aziatische vissauzen als nuoc cham of nam pla. Voor Romeinen was garum onmisbaar als smaakmaker, vergelijkbaar met hoe wij zout of sojasaus gebruiken.

Hadden de Romeinen een ongezond eetpatroon?

Het dieet van de gewone Romein was verassend gezond: veel vezels uit graan en peulvruchten, olijfolie als hoofdvet, veel groente en matige hoeveelheden dierlijk voedsel. Het lijkt sterk op het moderne Mediterrane dieet. De elite at overdadiger met veel vlees, vet en alcohol, wat zeker tot gezondheidsproblemen leidde. Historische bronnen beschrijven bij rijke Romeinen jicht, leverproblemen en overgewicht.

Hoe bewaarden de Romeinen hun voedsel zonder koelkast?

Conserveren deden Romeinen op meerdere manieren. Inzouten was de meest gebruikte methode, voor vis maar ook voor vlees en groente. Inmaken in olijfolie, honing of azijn was ook gangbaar. Sommige producten werden gedroogd in de zon: vijgen, druiven, vlees. Kelders werden gebruikt om temperaturen laag te houden. In bergachtige streken hakten mensen ’s winters ijs en bewaarden dat in ondergrondse ijskelders tot in de zomer. Rijke huizen hadden aparte voedselopslagruimtes (cellae).

Kookten alle Romeinen thuis?

Nee, lang niet. Vooral in steden als Rome, Ostia en Pompeii had een groot deel van de bevolking geen echte keuken. Goedkope huurflats (insulae) hadden hooguit een klein oliepitje. Open vuur binnenshuis was brandgevaarlijk. Veel stedelingen aten daarom hun warme maaltijden bij thermopolia, de Romeinse variant van een snackbar of eetcafe. Alleen vrijstaande huizen (domus) hadden een echte keuken met haard. Lees over moderne voeding en gezondheid ook dit artikel over waarom je veel moet poepen, want voedingspatroon en spijsvertering hangen nauw samen.

Welke groenten kende het oude Rome dat wij nu niet meer kennen?

De Romein kende geen tomaten, aardappelen of paprika (die kwamen pas na de ontdekking van Amerika in Europa). Maar ze aten wel silphium, een nu uitgestorven plant met een scherpe, knoflookachtige smaak die zo geliefd was dat hij volledig overgeoogst werd en in de eerste eeuw al uitstierf. Verder aten ze wijnruit regelmatig als kruid, iets wat tegenwoordig bijna niemand doet. Pastinaak en raap waren heel gewoon, evenals artisjokken, asperges, kool en prei. Sommige dingen zijn verrassend modern, andere zijn echt antiek.

VL
Redactie Veel.nlOnze redactie schrijft informatieve artikelen over uiteenlopende onderwerpen.

Geef een reactie