De Vikingen aten gevarieerder dan de meeste mensen denken. Graan, vis, vlees, zuivel, groenten en fruit vormden de basis van hun dagelijkse voeding, zowel thuis als op zee. Archaeologisch onderzoek naar botmateriaal, kookpotten, haardassen en menselijke resten bevestigt dit keer op keer.
Het beeld van de Vikingman die uitsluitend vleesbraden verslindt aan een lange houten tafel klopt maar half. Thuis at een gemiddeld Vikinghuishouden eerder pap dan gebraden vlees, en op langere zeereizen bepaalde houdbaarheid wat er op het menu stond. Hieronder vind je een volledige checklist van wat de Vikingen daadwerkelijk aten, hoe ze het bereidden en hoe het voedsel verschilde per situatie.
Graan: de onmisbare basis van elke maaltijd
Gerst was het meest geteelde graan in het Vikingtijdperk (circa 793-1066 na Christus). Het groeide goed in het Scandinavische klimaat en leverde zowel mout voor bier als meel voor brood en pap. In Denemarken was de grond vruchtbaar genoeg voor tarwe, maar in Noorwegen en Zweden viel men vaker terug op gerst, rogge en haver.
Pap was de meest gegeten graanbereidingen. Gerst of havermout werd langzaam gekookt in water of melk, eventueel aangevuld met gedroogde bessen of honing. Dit was het dagelijkse ontbijt en vaak ook het avondmaal voor gewone boeren en arbeiders. Brood werd gebakken op een platte steen naast het vuur of in een kleioven, en was compact en stevig van textuur omdat er nauwelijks rijsmiddelen beschikbaar waren.
Roggebrood speelde ook een rol, vooral in de wintermaanden wanneer verse groenten schaars waren. Graan was tevens de grondstof voor ale en bier, de verreweg populairste dranken, ook omdat drinkwater lang niet altijd betrouwbaar was. Een volwassen Vikingarbeider at naar schatting dagelijks zo’n 1 tot 1,5 kilogram granen in diverse vormen: pap, brood en bier meegerekend.
Vis en zeevruchten: ruim een kwart van het dieet
Vis maakte ongeveer 25 procent van het totale Vikingdieet uit, zo blijkt uit isotoopenanalyse van botmateriaal opgegraven in Scandinavische nederzettingen. De zee was dichtbij voor de meeste Noormannen, en vissen was even gewoon als akkerbouwen.
Haring was de meest gevangen vis: goedkoop, overvloedig en makkelijk te zouten of te roken. Kabeljauw was een tweede pijler, zeker in Noorwegen waar de Lofoten-eilanden al in de vroege middeleeuwen een centrum waren voor het drogen van stokvis. Gedroogde kabeljauw (klipvis) was bij uitstek geschikt voor zeereizen: licht, compact en maanden houdbaar. Naast zeevissen vingen de Vikingen ook paling, forel en snoek in rivieren en meren.
Zeevruchten als oesters, mosselen en krabben werden eveneens gegeten, getuige de schelpenlagen (middensmøddinger) die archeologen bij oude nederzettingen hebben aangetroffen. Op IJsland was walvis een welkome aanvulling op het menu, hoewel het actief jagen op walvissen pas later gebruikelijker werd. Zeehond en walrus werden ook gegeten, en leverden bovendien huid en olie.
Vlees: welk dier at je en wanneer
Rund, schaap en varken waren de drie belangrijkste vleesbronnen. De keuze hing af van wat je had en van het seizoen. Runderen werden primair gehouden voor melk en werden pas geslacht wanneer ze te oud werden voor productie. Schapen leverden wol, melk en uiteindelijk vlees. Varkens werden bij uitstek gehouden voor het vlees: ze waren efficiënte eters van keukenresten en het vlees liet zich goed zouten en roken.
Paardenvlees was omstreden maar werd gegeten, vooral in rituele context. Paarden die vielen in de strijd of op hoge leeftijd stierven, kwamen in de pot. Toen het christendom zich verspreidde door Scandinavie verbood de kerk het eten van paard, wat leidde tot een geleidelijke afname van dit gebruik. Gevogelte zoals kippen, ganzen en eenden vulden het menu aan, net als wilde eenden en reigers die werden gevangen of geschoten.
Wildvlees (hert, eland, beer) speelde een aanvullende rol, met name in gebieden ver van de kust. Elanden en rendieren werden bejaagd in de Noorse binnenlanden. Het vlees werd gerookt, gezouten of gedroogd om de winter door te komen. Slachten gebeurde traditioneel in de herfst, zodat de dieren niet gevoed hoefden te worden door de schaarse wintermaanden.
Hieronder een overzicht van de meest gegeten diersoorten en hoe ze verwerkt werden:
| Diersoort | Gebruik | Bewarmethode | Bijzonderheden |
|---|---|---|---|
| Rund | Vlees, melk, leer | Gekookt, geroosterd | Primair voor zuivel, geslacht op oudere leeftijd |
| Schaap/lam | Vlees, wol, melk | Gerookt, gezouten | Populair in Noorwegen en IJsland |
| Varken | Vlees, vet | Gezouten, gerookt | Beste vleesdier, efficiënte voederomzetting |
| Haring | Vis | Gezouten, gerookt | Meest gegeten vis, lang houdbaar |
| Kabeljauw | Vis | Gedroogd (stokvis) | Ideaal voor zeereizen |
| Paard | Vlees | Gekookt | Ritueel en praktisch gebruik, later verboden door kerk |
| Hert/eland | Wildvlees | Geroosterd, gerookt | Aanvullend, meer in het binnenland |
| Oesters/mosselen | Zeevruchten | Rauw of gekookt | Gevonden in schelpenlagen bij nederzettingen |
Zuivel: kaas, boter en skyr
Zuivel was een onmisbaar onderdeel van het Vikingdieet, zeker in de zomermaanden wanneer de koeien, geiten en schapen veel melk gaven. Verse melk was dagelijks beschikbaar op een boerenerf, maar bedierf snel. De oplossing was omzetting in producten met een langere houdbaarheid: boter, karnemelk en skyr.
Skyr is tegenwoordig bekend als een IJslands zuivelproduct dat lijkt op dikke yoghurt, maar stamt rechtstreeks af van wat Vikingen maakten. Het werd gemaakt door melk te vergisten met een beetje oude skyr als starter. Het resultaat was dik, zuur en rijk aan eiwit. Skyr kon wekenlang goed blijven en was ook makkelijk mee te nemen op reis.
Boter werd gemaakt door karnen, soms gezouten om langer houdbaar te zijn. Kaas was ook gangbaar, hoewel de zachte varianten snel bedierven. Harde, geperste kaas kon langer bewaard worden. Op IJsland zijn er historische bronnen die spreken van skyr en karnemelk als vast bestanddeel van het dagmenu, ook voor kinderen. Geitenmelk was populair in bergachtige streken van Noorwegen waar geitenhouderij praktischer was dan koeienhouderij.
Groenten, fruit en kruiden: meer dan je zou verwachten
Vikingen teelden en verzamelden een behoorlijk scala aan plantaardige voedingsmiddelen. Dit wordt soms onderschat doordat het plantaardige materiaal minder goed bewaard blijft in de bodem dan bot of aardewerk. Pollenanalyse en koolstofonderzoek van haardassen geven een rijker beeld.
Geteelde groenten waren onder andere:
- Kool: een van de meest geteelde groenten, goed bestand tegen kou en lang bewaarbaar als zuurkool
- Uien en knoflook: basis voor smaakgeving, ook verondersteld medicinale waarde te hebben
- Erwten en bonen: goedkope eiwitbron, gedroogd lang houdbaar
- Pastinaak en rapen: wortelgroenten die goed de winter overleefden in de grond
- Wortelen: in wilde en gekweekte vorm
- Engelwortel: geteeld als groente en als geneeskruid
Wilde vruchten werden verzameld in de nazomer: bosbessen, bramen, vlierbessen en wilde appels. In meer gematigde streken zoals Denemarken en het zuiden van Zweden groeiden ook pruimen en kersen. Noten, met name hazelnoten, waren een geliefde snack en werden gevonden in archeologische opgravingen bij Vikingnederzettingen in York (Jorvik) in Engeland.
Kruiden als dille, karwij, mosterdzaad en mierikswortel werden gebruikt voor smaak. Honing was het belangrijkste zoetmiddel, en speelde ook een grote rol in de productie van mede, een alcoholische drank gemaakt van gefermenteerde honing en water. Mede was een statusdrank die op feestmalen werd gedronken, terwijl gewone ale de alledaagse drank was.
Voedsel op zee: de praktijk van langdurige tochten
Op een langdurige zeereis kon een Vikingschip niet rekenen op verse voorzieningen. Alles moest meegaan in een geconserveerde of droge vorm. De Vikingen ontwikkelden daarvoor praktische oplossingen die hen in staat stelden weken en zelfs maanden op zee te blijven.
Gedroogde stokvis (kabeljauw of pollak) was het ideale reisvoedsel: zo licht als een houten plank, maanden houdbaar en rijk aan eiwit. Het werd geweekt in water voor consumptie of rauw gekauwd. Gezouten vlees werd meegegeven in vaten. Hardgebakken gerstenbrood (een soort knäckebröd avant la lettre) bleef weken goed. Gedroogde bessen en hazelnoten vulden het menu aan.
Op een Drakkar van normale grootte voeren zo’n 30 tot 50 man. De hoeveelheid meegevoerd eten werd zorgvuldig gepland. Vuur stoken op een houten schip was gevaarlijk, maar op sommige schepen was een zandbak of stenen onderbak aan boord voor een beperkt kookvuur. Op korte tochten langs de kust werd regelmatig aangemeerd om verse vis te vangen of proviand te hamsteren in dorpen (al dan niet vriendschappelijk).
Bier en water werden meegegeven in houten vaten. Bier bedierf minder snel dan water, wat een praktische reden was voor de populariteit ervan. Op Ijslandse en Groenlandse reizen, die maanden konden duren, was de voorraadplanning een zaak van leven of dood. Walrosbotten gevonden op arctische vindplaatsen tonen aan dat de zeelieden ook ter plekke jaagden wanneer de gelegenheid zich voordeed.
Koken en bewaren: technieken zonder koelkast
In een Vikinglanghuis was de centrale haard de enige warmtebron en kookplek. Boven de haard hing een grote ijzeren ketel aan een haak, en daarin werden soepen, stoofpotten en pap bereid. De meeste maaltijden waren eenpansgerechten: vlees of vis gecombineerd met groenten en graan in water of bouillon.
Rooster-koken op een gloeiend houtvuur was een andere methode, met name voor vlees dat snel klaargemaakt moest worden. Vleespennen en roosters zijn teruggevonden bij Vikingnederzettingen. Brood werd gebakken op een platte steen of in een kleioven naast de haard.
Conserveren was levensnoodzakelijk voor het overleven van de winter. De vijf voornaamste bewaarmethoden waren:
- Zouten: vlees en vis werden ingewreven met zout of gelegd in pekel. Zout was kostbaar maar onmisbaar; het werd gewonnen door zeewater te verdampen of door zouthandel.
- Roken: vlees en vis werden boven een smeulend houtvuur gehangen, vaak in de kap van het langhuis zelf. Rookworst en gedroogde vis zijn directe afstammelingen van deze techniek.
- Drogen: kabeljauw werd op rekken in de openlucht gedroogd door wind en vorst, waardoor stokvis ontstond met een houdbaarheid van jaren.
- Fermenteren: zure zuivelproducten als skyr en karnemelk, maar ook gefermenteerde vis (een voorloper van het Zweedse surströmming) waren bekende producten. Fermenteren verlengde de houdbaarheid en verhoogde de voedingswaarde.
- Invriezen: in Noord-Scandinavie en op IJsland was de winter vanzelf een vriezer. Vlees werd buiten gehangen in de vrieskou, zodat het maanden goed bleef.
De combinatie van deze technieken zorgde ervoor dat ook de hardste Scandinavische winter overleefd kon worden. Een goed gevulde voorraadkelder met gezouten vlees, gedroogde vis, pap-graan, kaas en skyr was het verschil tussen een voedselzekere en een hongerige winter.
Sociale verschillen: rijke elite versus gewone boer
Niet iedereen at hetzelfde. In een samenleving die duidelijk gestratificeerd was in jarls (adel), vrije boeren (karls) en slaven (thralls), weerspiegelde het eten de sociale positie. Rijke huishoudens aten vaker vers vlees, dronken mede van honing en hadden toegang tot geimporteerde luxeproducten zoals Rijnlandse wijn en specerijen als peper, die via handelsroutes in Scandinavie belandden.
Gewone boeren aten hoofdzakelijk pap, groenten en gezouten vis. Vlees was een weekendse of feestelijke luxe, geen dagelijkse vanzelfsprekendheid. Slaven kregen de minste en slechtste kwaliteit voedsel, soms niet meer dan pap en oude stokvis.
Op feestmalen (blot, gehouden bij de grote seizoensovergangen) was het anders: dan werd er geslacht en gebraden, stroomde de mede en bier rijkelijk en aten ook gewone mensen uitbundiger dan normaal. Archeologisch bewijs uit de hal van Lejre in Denemarken, een van de grootste bekende feestlocaties uit het Vikingtijdperk, toont aan dat er grote hoeveelheden rundvee, varkens en herten werden geslacht bij zulke gelegenheden.
De rol van voeding in gezondheid was overigens niet onbekend bij de Vikingen. Kruiden als kruidnagel werden gebruikt voor hun vermeende helende werking. Wat kruidnagel goed voor is en hoe je het kunt gebruiken, sluit nauw aan bij de manier waarop middeleeuwse volksgeneeskunde werkte: planten als voedsel en medicijn tegelijk.
Een ander aspect is de balans in voedingsstoffen. Het Vikingdieet was, ondanks de beperkingen van de tijd, verrassend uitgebalanceerd in vergelijking met latere middeleeuwse periodes. Eiwitten kwamen uit vis, vlees en zuivel; koolhydraten uit graan; vetten uit zuivel en vet vlees. Vitaminen en mineralen kwamen uit groenten, fruit en kruiden. Tekorten kwamen voor, met name bij armen in lange winters, maar het basisdieet van een middenklasse Vikingboer was voedzamer dan dat van veel latere Europese boeren in de 14e en 15e eeuw.
Ferritine, ijzer in het bloed, wordt beïnvloed door de hoeveelheid rood vlees en vis die je eet. De Vikingen hadden met hun vleesrijke dieet waarschijnlijk minder last van ijzertekort dan plantaardiger etende volkeren. De klachten bij laag ferritine zijn overigens precies de soort klachten die historische bronnen soms beschrijven bij slaafgemaakten en armen die weinig vlees of vis aten.
Dranken: van water tot mede
Water was de meest basale drank, maar niet altijd veilig door besmetting van oppervlaktewater. De Vikingen losten dit deels op door water te koken voor pap of soep. Ale en bier, gebrouwen van gerst en soms kruiden, waren de alledaagse dranken voor jong en oud. Ze bevatten weinig alcohol (zwak bier had soms niet meer dan 1-2%), genoeg om bacterieen te doden maar niet genoeg om je beschonken te maken op het land.
Mede was de prestigedrrank van de elite. Het brouwen van mede vereiste grote hoeveelheden honing, die niet voor iedereen toegankelijk was. In de IJslandse sagen wordt mede regelmatig geassocieerd met goden, helden en feestmalen. Karnemelk en wei (het vloeibare bijproduct van kaasmaken) waren goedkopere alledaagse dranken, met name voor kinderen. Vruchtensap was niet gangbaar als drank, maar wilde bessen werden wel verwerkt in dranken en gerechten.
Wijn was een importproduct, beschikbaar via handelsroutes vanuit het Rijnland en zuidelijker Europese gebieden. Het was een luxe en een statussymbool, niet een alledaagse drank. Vikingnederzettingen in handelssteden als Hedeby en Birka leverden importwijnkruiken op, wat bevestigt dat wijn circuleerde in de hogere kringen.
Een gezonde voeding speelt ook nu een grote rol bij medische uitkomsten. Zo heeft voeding invloed op bloedwaarden, waaronder de LDH-waarde. Hoe hoog de LDH-waarde mag zijn is een vraag die moderne mensen stellen, maar ook de Vikingen begrepen intuïtief dat voeding en gezondheid met elkaar samenhangen. Evenzo zijn de beste broodkeuzes bij diabetes type 2 een modern vraagstuk dat teruggaat op inzichten over graan en bloedsuiker die ook in de middeleeuwen al impliciet speelden.
Veelgestelde vragen
Aten de Vikingen ook groenten, of was hun dieet puur vlees en vis?
Groenten waren zeker een onderdeel van het Vikingdieet. Kool, uien, erwten, bonen, pastinaak en rapen werden geteeld. Wild geplukte bessen en hazelnoten vulden het menu aan. Groenten waren goedkoop en beschikbaar voor alle lagen van de samenleving. Het beeld van Vikingen als pure vleseters is een romantische overdrijving die niet klopt met de archeologische bewijzen.
Hoe bewaarden Vikingen hun eten zonder koelkast?
Zouten, roken, drogen en fermenteren waren de vier pijlers van Vikingconservering. Vlees en vis werden ingewreven met zout of boven houtvuur gerookt. Kabeljauw werd gedroogd tot stokvis. In Noord-Scandinavie diende de wintervorst als natuurlijke diepvries. Skyr en gezouten boter waren zuivelproducten met een langere houdbaarheid. Deze technieken maakten het mogelijk om de winter en lange zeereizen te overbruggen.
Wat aten Vikingen specifiek op zeereizen?
Op lange zeereizen namen Vikingen mee: gedroogde stokvis (kabeljauw), gezouten vlees in vaten, hardgebakken gerstenbrood, gedroogde bessen en hazelnoten, en vaten met bier of water. Vuur stoken was gevaarlijk op een houten schip, maar soms was er een zandbak aan boord voor eenvoudig koken. Wanneer ze langs de kust voeren, werd ook vers gevangen vis gegeten.
Dronken Vikingen echt zoveel mede?
Mede was een statusdrank voor de elite, geen alledaagse drank. Gewone Vikingen dronken voornamelijk ale en zwak bier, gebrouwen van gerst. Bier was zowel praktisch (veiliger dan besmet water) als voedzaam (calorierijk). Mede, gemaakt van gefermenteerde honing, was kostbaar en werd vooral gedronken op feestmalen en door hogere sociale klassen. De nadruk op mede in de sagen reflecteert de elitaire context van die verhalen.
Was het Vikingdieet gezond naar moderne maatstaven?
In vergelijking met veel latere middeleeuwse volkeren was het Vikingdieet verrassend uitgebalanceerd. Het bevatte voldoende eiwitten (vis, vlees, zuivel), koolhydraten (graan), vetten (zuivel, vet vlees) en micronutrienten (groenten, fruit, kruiden). Analyse van Vikingbotten toont een gemiddeld robuuste lichaamsconditie. Tekorten kwamen voor bij armen en slaven, en in zware winters. Het gebrek aan suiker en bewerkte voeding is in moderne ogen een voordeel.
Hadden rijke en arme Vikingen hetzelfde dieet?
Nee, er waren duidelijke sociale verschillen. Rijke jarls en hun huishoudens aten vaker vers vlees, dronken mede en hadden toegang tot importproducten zoals wijn en peper. Gewone boeren leefden hoofdzakelijk van pap, groenten en gezouten vis, met vlees als feestelijk supplement. Slaven (thralls) aten het minst gevarieerd en kregen de slechtste kwaliteit voedsel. Op blot-feesten aten ook gewone mensen echter uitbundiger dan op doordeweekse dagen.










