Bij intramusculaire injecties wordt medicatie rechtstreeks in spierweefsel toegediend. De keuze van de juiste naald is daarbij bepalend voor het succes en de veiligheid van de injectie. Gebruik je een naald die te kort is, dan bereikt de vloeistof het spierweefsel niet. Is de naald te dik, dan is er onnodig veel pijn. Dit artikel geeft een overzicht van de factoren die bepalen welke naald je kiest, welke injectieplaatsen beschikbaar zijn en hoe je de techniek veilig uitvoert. Raadpleeg altijd een arts, verpleegkundige of apotheker als je twijfelt over de juiste handelwijze bij jouw specifieke situatie.
Wat is een intramusculaire injectie?
Een intramusculaire injectie (IM-injectie) is een methode waarbij een medicament met een naald en spuit diep in spierweefsel wordt ingespoten. Spieren zijn rijkelijk voorzien van bloedvaten, waardoor geneesmiddelen sneller worden opgenomen dan bij subcutane (onder de huid) injecties. Intramusculaire injecties worden gebruikt voor vaccins, pijnstillers, antibiotica, hormonen en bepaalde psychiatrische medicijnen.
Voordelen van de intramusculaire route
Ten opzichte van orale inname biedt de intramusculaire route een aantal voordelen. Het geneesmiddel omzeilt het maagdarmkanaal en wordt niet afgebroken door de lever voordat het de bloedbaan bereikt. De werking treedt doorgaans sneller in dan bij tabletten of capsules. Bovendien kunnen grotere volumes worden toegediend dan bij subcutane injecties, tot maximaal vijf milliliter per injectieplaats bij goed gevasculariseerde spieren.
Wie voert intramusculaire injecties uit?
In professionele zorgsettings worden intramusculaire injecties uitgevoerd door artsen, verpleegkundigen en physician assistants. In sommige gevallen, zoals bij zelfinjectie met hormoonpreparaten of bepaalde vaccins, kan een patiënt na gedegen instructie door een zorgprofessional leren om zelf te injecteren. Doe dit uitsluitend na expliciete toestemming en begeleiding van je behandelaar.
Naalddikte: de gauge uitgelegd
De dikte van een naald wordt aangeduid in gauge (G). Hoe hoger het gaugenummer, hoe dunner de naald. Bij intramusculaire injecties wordt doorgaans gekozen voor een naald tussen de 21G en 23G.
21G: de standaard voor volwassenen
De 21G-naald (buitendiameter 0,8 mm) is de meest gebruikte keuze voor intramusculaire injecties bij volwassenen. Deze dikte biedt een goede balans: dik genoeg om visceuze vloeistoffen soepel door te laten stromen, maar niet zo dik dat de injectie onnodig pijnlijk is. De kleurcode van een 21G-naald is groen.
23G: voor dunnere vloeistoffen en gevoelige patiënten
Een 23G-naald (buitendiameter 0,6 mm) veroorzaakt minder weefselschade en is geschikt voor waterige geneesmiddelen zoals de meeste vaccins. Voor kinderen en patiënten met een dunner vetlaag of gevoelige huid is de 23G een veelgebruikte keuze. De kleurcode is blauw. Let op: dikkere, oliehoudende preparaten stromen moeilijker door een 23G-naald.
Dikke preparaten en 19G of 20G
Bij olieachtige of sterk visceuze geneesmiddelen, zoals bepaalde depotpreparaten of olie-gebaseerde hormooninjecties, kan een dikkere naald nodig zijn. Een 19G of 20G-naald laat visceuze vloeistoffen makkelijker doorstromen. Doorgaans wordt aangeraden om op te zuigen met een dikkere naald en vervolgens te wisselen naar een dunnere naald voor de eigenlijke injectie.
Naaldlengte: afhankelijk van lichaamsbouw en locatie
De lengte van de naald bepaalt of de punt daadwerkelijk het spierweefsel bereikt. Een naald die te kort is, injecteert in het vetweefsel onder de huid in plaats van in de spier, wat tot tragere of onvoldoende opname kan leiden.
Volwassenen met normaal postuur
Voor volwassenen met een gemiddeld postuur worden naalden van 25 tot 38 mm aanbevolen voor de meeste injectieplaatsen. Onderzoek toont aan dat naalden korter dan 25 mm bij volwassenen regelmatig niet het spierweefsel bereiken en de vloeistof subcutaan wordt afgegeven. De meest gebruikte standaardlengte is 25 mm (1 inch).
Volwassenen met obesitas
Bij een dikker vetlaag is een langere naald noodzakelijk. Voor volwassenen met obesitas wordt doorgaans een naald van 38 tot 40 mm geadviseerd om zeker te stellen dat het spierweefsel bereikt wordt. Bij twijfel kan een verpleegkundige de dikte van het vetweefsel inschatten door de huid voorzichtig samen te knijpen.
Kinderen en adolescenten
Voor kinderen geldt dat de naaldlengte aangepast moet worden aan de leeftijd en lichaamsbouw. Voor zuigelingen en peuters worden naalden van 16 mm gebruikt, voor oudere kinderen en adolescenten naalden van 25 mm. De verpleegkundige of arts bepaalt de exacte keuze op basis van de leeftijd en het lichaamsgewicht.
De injectieplaatsen in detail
Er zijn vier hoofdlocaties voor intramusculaire injecties, elk met eigen voordelen, risico’s en volumegrenzen.
De deltaspier (bovenarm)
De deltaspier bevindt zich in de bovenarm, ter hoogte van twee tot drie vingers onder het acromion (het botuitsteeksel van het schouderblad). Dit is de meest gebruikte locatie voor vaccins bij volwassenen. Voordelen zijn de toegankelijkheid en de kleine impact op mobiliteit na de injectie. Nadeel is het beperkte volume: maximaal 1 tot 2 milliliter per injectie. Voor grotere volumes of depotpreparaten is de deltaspier niet geschikt.
De vastus lateralis (zijkant bovenbeen)
De vastus lateralis is de buitenste spier van het bovenbeen en een voorkeur injectieplaats voor zuigelingen en jonge kinderen, maar ook voor zelfinjectie bij volwassenen. De locatie is eenvoudig te bereiken zonder hulp. Injecteer in het middelste derde deel van de zijkant van het bovenbeen. Volume tot maximaal 5 milliliter bij volwassenen is mogelijk.
De ventrogluteale regio (heupspier)
De ventrogluteale regio, ter hoogte van de gluteus medius aan de zijkant van de heup, wordt door verpleegkundigen steeds vaker beschouwd als de veiligste injectieplaats voor intramusculaire injecties bij volwassenen. Er lopen hier geen grote bloedvaten of zenuwen, het spierweefsel is goed bereikbaar en het injectiegebied is goed afgebakend. Volume tot 4 milliliter is haalbaar. De locatie vereist enige kennis van de anatomie om correct te identificeren.
De gluteus maximus (bil)
De gluteus maximus is een grote spier die vroeger veelvuldig gebruikt werd voor intramusculaire injecties. Het gebruik ervan wordt steeds meer afgeraden vanwege het risico op beschadiging van de nervus ischiadicus (de grote beenzenuw) en de nabijgelegen arteria glutealis superior. Als de gluteus maximus toch gebruikt wordt, geldt strikt dat uitsluitend het bovenste buitenste kwadrant gebruikt mag worden. Wegens de risico’s gaat de voorkeur tegenwoordig uit naar de ventrogluteale regio.
Injectietechnieken
De wijze van injecteren is minstens zo belangrijk als de keuze van de naald. Een goede techniek vermindert pijn, voorkomt complicaties en zorgt voor een optimale opname van het geneesmiddel.
De rechte-hoek techniek
Bij de meest gangbare techniek wordt de naald loodrecht (90 graden) op de huid ingestoken. De huid wordt strak getrokken of licht samengeknepen, afhankelijk van de injectieplaats en lichaamsbouw. De naald gaat in een vloeiende beweging tot de aangegeven diepte, waarna de vloeistof langzaam wordt ingespoten. Injecteer niet sneller dan één milliliter per tien seconden om pijn en weefselirritatie te beperken.
De Z-track techniek (rangeer- of verplaatsingstechniek)
De Z-track techniek wordt beschouwd als de veiligste en meest effectieve methode voor alle soorten injecties, met name voor irriterende of visceuze vloeistoffen. De huid en het onderliggende weefsel worden twee tot drie centimeter zijwaarts verschoven en in die positie gefixeerd voordat de naald wordt ingebracht. Na het inspuiten wacht je tien seconden met de naald in situ, waarna je de huid pas loslaat. Doordat het weefsel terugveert, sluit het injectiekanaal zich af, waardoor lekkage van vloeistof naar het onderhuidse weefsel wordt voorkomen.
Aspireren: wanneer wel en wanneer niet?
Vroeger was het standaard om vóór het injecteren te aspireren (terugzuigen om te controleren of de naald niet in een bloedvat zit). Actuele richtlijnen van onder andere de Wereldgezondheidsorganisatie stellen dat aspireren bij de deltaspier en de vastus lateralis niet noodzakelijk is, omdat in deze gebieden geen grote bloedvaten lopen. Bij de gluteus maximus wordt aspireren wel aangeraden vanwege de nabijheid van de arteria glutealis superior.
Naaldkeuze per type medicament
Niet alleen de injectieplaats en lichaamsbouw bepalen de naaldkeuze, ook het type geneesmiddel speelt een rol. Verschillende preparaten hebben andere eigenschappen die de keuze van gauge en lengte beïnvloeden.
Vaccins
Vaccins zijn doorgaans waterige oplossingen met een lage viscositeit. De aanbevolen naald voor vaccinatie bij volwassenen is in de meeste gevallen een 23G-naald van 25 mm, ingespoten in de deltaspier. Bij kinderen jonger dan één jaar wordt gevaccineerd in de vastus lateralis met een 25G-naald van 16 mm. De exacte keuze volgt de nationale vaccinatieprogramma-richtlijnen en kan per vaccin verschillen.
Olieachtige hormoonpreparaten
Testosteron-enanthaat, testosteron-cypionaat en andere oliebasis hormoonpreparaten zijn sterk visceus. Het wordt aanbevolen om te laden met een 18G of 20G-naald en vervolgens te wisselen naar een 21G of 23G voor de injectie zelf. Dit spaart de spier en vermindert pijn, terwijl het laden toch vlot verloopt.
Depotantipsychotica
Langwerkende antipsychotica worden als depotinjectie toegediend, doorgaans eens per twee tot vier weken. Deze preparaten zijn visceus en worden in grotere volumes (2 tot 4 ml) gegeven. Hier is een 21G-naald van minimaal 38 mm standaard, en de ventrogluteale regio is de voorkeursinjectieplaats vanwege de capaciteit voor grotere volumes en het lage complicatierisico.
Veiligheidsmaatregelen en hygiëne
Ongeacht de locatie en techniek gelden een aantal absolute veiligheidsregels bij intramusculaire injecties.
Steriele werkwijze
Gebruik altijd een steriele, verpakte naald en spuit. Open de verpakking pas direct voor gebruik. Desinfecteer de huid met een alcoholdoekje en laat dit volledig drogen voordat je injecteert: vochtige alcohol in het weefsel veroorzaakt onnodige pijn. Gebruik nooit een naald twee keer en leg gebruikte naalden direct in een daarvoor bestemde sharpscontainer (naaldencontainer).
Wissel van injectieplaats
Bij herhaalde injecties, zoals bij diabetici of patiënten die regelmatig depotmedicatie ontvangen, is het belangrijk om de injectieplaats systematisch te rouleren. Steeds op dezelfde plek injecteren leidt tot littekenvorming, fibrose en verminderde opname van het geneesmiddel.
Signalen van complicaties
Na een intramusculaire injectie kunnen lokale reacties optreden: roodheid, zwelling, warmte en pijn zijn normaal gedurende één tot twee dagen. Raadpleeg een arts bij hevige pijn, aanhoudende of toenemende zwelling, koorts, of tekenen van infectie zoals ettering. Uitstralende pijn of tintelingen kunnen wijzen op zenuwprikkeling, wat directe medische aandacht vereist.
Veelgestelde vragen
Welke naald gebruik je voor een intramusculaire injectie bij een volwassene?
Voor volwassenen met een normaal postuur wordt doorgaans een 21G-naald van 25 mm gebruikt. Dit is de meest gangbare combinatie voor de deltaspier en ventrogluteale regio. Bij obesitas wordt een langere naald van 38 tot 40 mm geadviseerd. Raadpleeg bij twijfel altijd een zorgprofessional.
Wat betekent gauge bij naalden?
Gauge (G) is de maat voor de dikte van een naald. Hoe hoger het getal, hoe dunner de naald. Voor intramusculaire injecties zijn naalden van 21G tot 23G gebruikelijk. Een 21G-naald is groen van kleur en heeft een buitendiameter van 0,8 mm.
Welke injectieplaats is het veiligst voor intramusculaire injecties?
De ventrogluteale regio (zijkant van de heup, ter hoogte van de gluteus medius) wordt door moderne richtlijnen beschouwd als de veiligste locatie. Er lopen geen grote zenuwen of bloedvaten, het spierweefsel is goed bereikbaar en het risico op complicaties is laag.
Mag je een intramusculaire injectie zelf toedienen?
Zelfinjectie is in sommige gevallen mogelijk, bijvoorbeeld bij bepaalde hormoontherapieën, fertiliteitsbehandelingen of als een arts dit uitdrukkelijk heeft geadviseerd. Dit vereist altijd scholing en begeleiding door een zorgprofessional. Begin nooit op eigen initiatief met zelfinjectie zonder medische instructie.
Hoe pijnlijk is een intramusculaire injectie?
De pijn van een intramusculaire injectie is voor de meeste mensen gering. Een snelle, vlotte insteek met een scherpe naald is minder pijnlijk dan een langzame. Het langzaam inspuiten van de vloeistof (circa 1 ml per 10 seconden) vermindert de druk in het weefsel en daarmee de pijn. Na de injectie kan de spier één tot twee dagen gevoelig zijn, vergelijkbaar met spierpijn na het sporten.
Wanneer moet je na een injectie naar de dokter?
Zoek medische hulp bij: hevige of toenemende pijn, zwelling die na 48 uur niet afneemt, roodheid die zich uitbreidt, koorts, uitstralende pijn of gevoel van tintelingen in arm of been, of zichtbare tekenen van infectie. Bij vermoeden van een zenuwbeschadiging is directe medische evaluatie noodzakelijk.










