Dinosaurussen leefden meer dan 160 miljoen jaar lang op aarde, een periode die het Trias, het Jura en het Krijt omvat. In die enorme tijdspanne veranderde de plantenwereld enorm: van uitgestrekte vaarlandschappen en bossen van naaktzadige planten naar de eerste bloemplanten die aan het einde van het Krijt de wereld gingen domineren. De planten die naast dinosaurussen groeiden, zijn stuk voor stuk fascinerend en vertellen ons veel over hoe het leven op aarde zich heeft ontwikkeld.
Het Mesozoïcum: het tijdperk van de dinosaurussen
Het tijdperk van de dinosaurussen heet het Mesozoïcum, dat loopt van ongeveer 252 miljoen jaar geleden tot 66 miljoen jaar geleden. Dit tijdperk is onderverdeeld in drie perioden: het Trias (252-201 mjg), het Jura (201-145 mjg) en het Krijt (145-66 mjg). In elk van deze perioden zag de plantenwereld er anders uit, en de flora bepaalde ook mede welke dinosauriers floreerden en hoe het ecosysteem werkte.
Hoe weten we wat voor planten er waren?
Paleobotanisten – wetenschappers die fossielen van planten bestuderen – reconstrueren de prehistorische flora aan de hand van fossielen van bladeren, stammen, zaden, stuifmeel en hout. Afdrukken in rots, versteend hout (petrified wood) en barnsteen met ingesloten plantmateriaal geven een gedetailleerd beeld van hoe de vegetatie er destijds uitzag. Sommige plantensoorten zijn nauwelijks veranderd in honderden miljoenen jaren, wat ze levende fossielen maakt.
Planten in het Trias (252-201 miljoen jaar geleden)
Aan het begin van het Trias was de aarde nog herstellende van de Perm-Trias-extinctie, de grootste massa-extinctie in de geschiedenis van het leven op aarde. Meer dan 90 procent van alle soorten was uitgestorven. De plantenwereld moest zich opnieuw opbouwen, en deed dat met een groep naaktzadige planten die zich konden aanpassen aan het droge, warme klimaat van die tijd.
Coniferen
Coniferen, ofwel naaldbomen, waren al aanwezig voor het tijdperk van de dinosaurussen en overleefden de massa-extinctie. In het Trias breidden ze zich sterk uit. Vroege coniferen leken op dennenbomen maar waren vaak groter en hadden bredere naalden. Ze domineerden de bossen van het Trias samen met andere naaktzadige planten. Versteende stammen van Triassische coniferen zijn gevonden in de Amerikaanse Versteende Wouden van Arizona.
Palmvarens (Cycaden)
Palmvarens, ook wel cycaden of cycadeeën genoemd, waren een van de meest opvallende planten uit het tijdperk van de dinosaurussen. Ze lijken op een combinatie van een palm en een varen, maar zijn evolutionair gezien niet verwant aan beide. In het Trias en Jura waren cycaden zo dominant dat paleontologen die periode soms het “tijdperk van de cycaden” noemen. Ze hadden stevige, rozetachtige bladeren bovenop een dikke stam en produceerden grote kegels. Sommige soorten leven nog steeds, zoals de Cycas revoluta, een populaire sierplant.
Varens en paardenstaarten
Varens en paardenstaarten waren al lang voor de dinosaurussen aanwezig en bleven ook in het Trias dominant. Paardenstaarten (Equisetum-achtigen) waren in het Trias vaak veel groter dan hun moderne soortgenoten, sommige werden meerdere meters hoog. Varens bedekten de bosbodem en lagere vegetatielagen. Ze vermenigvuldigen zich via sporen en hadden geen bloemen of zaden nodig.
Planten in het Jura (201-145 miljoen jaar geleden)
Het Jura was het klassieke tijdperk van de grote dinosaurussen: de lange-hals-sauropoden, de stegosauriërs en vroege vleeseters. De plantenwereld was weelderig en groen. De continenten lagen toen nog dichter bij elkaar en het klimaat was warm en vochtig, wat een rijke vegetatie mogelijk maakte.
Ginkgo’s
De ginkgo (Ginkgo biloba) is een van de meest bekende levende fossielen ter wereld. De soort bestond al in het Jura en heeft sindsdien vrijwel geen evolutionaire veranderingen ondergaan. Ginkgobomen hadden in het Jura een enorm verspreidingsgebied en groeiden op meerdere continenten. Hun karakteristieke waaierblad is direct herkenbaar in het fossiele record. De moderne ginkgoboom werd in de 18e eeuw van uitsterven gered door boeddhistische monniken in China die de boom in tuinen bewaarden.
Bennettitales
De Bennettitales waren een groep planten die sterk leken op palmvarens maar niet nauw verwant zijn. Ze waren in het Jura en begin van het Krijt uiterst talrijk. Sommige soorten hadden bloemachtige structuren die mogelijk door insecten werden bestoven, al waren het geen echte bloemplanten. Ze stierven volledig uit aan het eind van het Krijt.
Sauropoden en hun voedsel
De grote, langnekkaige sauropoden van het Jura, zoals de Brachiosaurus en Diplodocus, aten waarschijnlijk coniferen, palmvarens en varens. Hun lange nek stelde hen in staat om hoog in de bomen te grazen of om snel over grote oppervlakten te vegen. Fossielen van coproliten (versteende uitwerpselen) van sauropoden bevatten resten van coniferen en varens, wat dit eetgedrag bevestigt.
Planten in het Krijt (145-66 miljoen jaar geleden)
Het Krijt is de meest revolutionaire periode in de evolutie van planten. Aan het begin van het Krijt zag het er nog uit als in het Jura: bossen van coniferen, palmvarens en ginkgobomen. Maar in de loop van het Krijt vond een van de grootste veranderingen in de plantenvolutie plaats: de explosieve opkomst van bloemplanten.
De opkomst van bloemplanten (Angiospermen)
Bloemplanten, ofwel angiospermen, ontwikkelden zich in het vroege Krijt en verspreidden zich daarna razendsnel. Ze werden bestoven door insecten, wat een co-evolutie op gang bracht: bloemen werden kleurrijker en geuriger om insecten aan te trekken, terwijl insecten gespecialiseerd raakten in het bezoeken van bepaalde bloemen. Aan het einde van het Krijt hadden bloemplanten de naaktzadige planten al grotendeels verdrongen en domineerden ze veel ecosystemen.
Vroege bloemplanten
De vroegste bloemplanten waren kleine kruidachtige planten of struiken. Ze waren niet de imposante bloemen die we nu kennen. Soorten verwant aan de moderne magnolia, waterlelies en pepers verschenen vroeg in het Krijt. Magnolia-achtigen horen tot de oudste bekende bloemplanten en zijn nog steeds herkenbaar als levende fossielen, al zijn ze de afgelopen 100 miljoen jaar sterk veranderd.
Coniferen blijven aanwezig
Ondanks de opmars van bloemplanten bleven coniferen dominant in hogere breedtegraden en berggebieden. Soorten verwant aan moderne dennen, sparren, cypressen en sequoia’s groeiden in het Krijt wijd verspreid. De reuzensecuoia’s die we kennen uit Noord-Amerika zijn nakomelingen van Krijtse soorten. Grassen kwamen pas laat in het Krijt op, en waren toentertijd nog niet de dominante vegetatie die ze nu zijn in savannes en steppen.
Bekende planten die naast dinosaurussen leefden en nog bestaan
Een van de meest verbluffende feiten over de prehistorische flora is dat een aantal plantensoorten de uitsterving van 66 miljoen jaar geleden heeft overleefd en nog steeds bestaat. Deze levende fossielen zijn een directe link naar de wereld van de dinosaurussen.
Ginkgo biloba
Zoals eerder vermeld is de ginkgo een echte dinosaurusplant. De boom werd in het wild bijna uitgestorven aan het einde van het Kwartair, maar overleefde dankzij menselijke tussenkomst. Vandaag wordt ginkgo geplant als laanboom en gebruikt als geneeskrachtige plant.
Varens
Varens zijn een van de oudste plantengroepen op aarde. Ze bestonden al 360 miljoen jaar geleden, lang voor de dinosaurussen, en zijn nauwelijks veranderd. Moderne varens zijn vrijwel identiek aan hun prehistorische voorouders. Ze groeien nog steeds in vochtige, schaduwrijke omgevingen, net als in het Mesozoïcum.
Cycaden (palmvarens)
Hoewel de meeste cycadensoorten zijn uitgestorven, leven er nog ongeveer 300 soorten. Ze worden wereldwijd geteeld als siertuin- en kamerplanten. De modernste soorten zijn echter niet identiek aan de Triassische en Jurassische voorouders: ze zijn in de loop van miljoenen jaren wel degelijk geëvolueerd, al veranderde hun uiterlijk slechts langzaam.
Paardenstaarten
De paardenstaart (Equisetum) is een levend fossiel. In het Carboon waren soorten verwant aan paardenstaarten boomhoog, terwijl de huidige paardenstaart zelden meer dan een meter hoog wordt. De moderne paardenstaart heeft hetzelfde karakteristieke gewrichte, holle stengelpatroon als zijn prehistorische voorgangers.
De relatie tussen dinosaurussen en planten
Dinosaurussen en planten beïnvloedden elkaar sterk. Plantenetende dinosaurussen bepaalden welke plantensoorten overleefden of juist werden weggegraasd, terwijl de beschikbaarheid van bepaalde planten de verspreiding en evolutie van dinosaurussen mede bepaalde.
Verspreiding van zaden
Bloemplanten profiteerden van dinosaurussen bij de verspreiding van hun zaden. Vruchten werden gegeten en de zaden werden elders uitgescheiden, vergelijkbaar met hoe moderne dieren zaden verspreiden. De co-evolutie tussen bloemplanten en dieren, inclusief vroege zoogdieren en vogels, versnelde de verspreiding van angiospermen enorm in het late Krijt.
Begrazing en bosstructuur
Grote plantenetende dinosaurussen zoals Triceratops en sauropoden beïnvloedden de bosstructuur. Door bepaalde planten weg te grazen maakten ze ruimte voor andere soorten. Wetenschappers vergelijken dit soms met de rol van olifanten in moderne ecosystemen, die ook bomen omtrekken en de openheid van het landschap bepalen.
Veelgestelde vragen
Wat voor planten groeiden er tijdens het tijdperk van de dinosaurussen?
Tijdens het Mesozoïcum groeiden er coniferen, palmvarens (cycaden), ginkgobomen, varens en paardenstaarten. Aan het einde van dit tijdperk kwamen ook de eerste bloemplanten op. Er waren geen grasvelden of tropische regenwouden zoals we die nu kennen, maar wel weelderige bossen en uitgestrekte varenlandschappen.
Hadden dinosaurussen bloemen om zich heen?
In het begin van het tijdperk van de dinosaurussen bestonden bloemplanten nog niet. Ze verschenen pas in het vroege Krijt, circa 130 miljoen jaar geleden. Dinosaurussen in het late Krijt, zoals Triceratops en T. rex, leefden wel in een wereld met bloemplanten, al waren die nog lang niet zo divers als vandaag.
Welke plant uit de tijd van dinosaurussen bestaat nog steeds?
De ginkgoboom (Ginkgo biloba) bestaat al minstens 200 miljoen jaar en is vrijwel onveranderd. Varens en paardenstaarten zijn ook levende fossielen, net als sommige cycadensoorten. De Wollemia-dennenboom, ontdekt in 1994 in Australie, is ook een levend fossiel uit het Krijt.
Waren er graslandschappen ten tijde van de dinosaurussen?
Gras bestond wel al aan het einde van het Krijt, maar uitgestrekte graslanden zoals savannes en steppen waren er nog niet. Die ontwikkelden zich pas tijdens het Eoceen en Oligoceen, na het uitsterven van de dinosaurussen. De flora tijdens het Mesozoïcum bestond voornamelijk uit bossen, struikgewas en varenlandschappen.
Wat aten plantenetende dinosaurussen?
Afhankelijk van het tijdperk en het type dinosaurus verschilden de voedingsbronnen. In het Trias en Jura aten veel planteneters coniferen, palmvarens en varens. Grote sauropoden graaiden in boomkruinen van coniferen. In het late Krijt kwamen bloemplanten beschikbaar als voedselbron. Fossielen van versteende uitwerpselen (coproliten) bevatten plantenresten die dit bevestigen.
Waren er vruchtdragende planten tijdens het Krijt?
Ja. Bloemplanten produceren vruchten, en die verschenen voor het eerst in het vroege Krijt. De vroegste vruchten waren eenvoudige structuren, maar in de loop van het Krijt werden ze diverser. Kleine zoogdieren, vogels en insecten aten deze vruchten en hielpen de zaden te verspreiden, wat de explosieve diversificatie van bloemplanten versnelde.










