In de middeleeuwen trokken muzikant-dichters van kasteel naar kasteel, van marktplein naar dorpsfeest, om hun publiek te vermaken met lied en poëzie. Deze figuren staan bekend als troubadours, maar dat is een verzamelnaam voor een wereld vol verschillende typen artiesten met elk hun eigen stijl, sociale status en rol in de middeleeuwse samenleving. Van de verfijnde hofdichter die zijn dame bezong tot de rondzwervende acrobaat die kunstjes deed voor de massa – de variatie was enorm. Dit artikel duikt diep in de verschillende soorten troubadours en verwante muzikale tradities die Europa in de 11e tot en met de 13e eeuw kleur gaven.
Wat waren troubadours precies?
De term troubadour stamt af van het Occitaanse werkwoord trobar, wat “vinden” of “uitvinden” betekent. Een troubadour was oorspronkelijk een dichter-componist die zijn eigen teksten en melodieën schreef en uitvoerde. Het ging niet om eenvoudige volksvermaak, maar om een kunstzinnige vorm van poëzie die sterk verbonden was met idealen van ridderschapseer, hoofse liefde en verfijning van het gedrag.
De Provence als bakermat
De troubadoursbeweging ontstond aan het einde van de 11e eeuw in Occitanië, het gebied in het zuiden van het huidige Frankrijk dat ook wel de Provence wordt genoemd. Dit was een welvarend, kosmopolitisch gebied met contacten met de Arabische cultuur in Spanje, de Byzantijnse tradities in het oosten en de Noord-Italiaanse stadsstaten. Al die invloeden kwamen samen in de muziek en poëzie van de vroege troubadours.
De eerste troubadour
De eerste bekende troubadour was Willem IX van Aquitanië, ook wel de graaf van Poitiers, die leefde van 1071 tot 1127. Hij behoorde tot de hoogste adel en schreef poëzie die varieerde van verheven hofse liefde tot uitgesproken grof humor. Zijn werk toont de breedte die de troubadourskunst al vroeg kenmerkte: niet één stijl, maar een rijke variatie van toon, thema en genre.
De troubadours van de Provence: dichters van de hoofse liefde
De klassieke troubadours uit de Provence zijn de meest bestudeerde en bekendste vertegenwoordigers van de beweging. Zij schreven in het Occitaans, de taal van de langue d’oc, en richtten hun poëzie primair op de adel en het hofleven.
Het concept van de hoofse liefde
Het centrale thema in de poëzie van de troubadours was de hoofse liefde, in het Frans amour courtois en in het Occitaans fin’amor genoemd. Dit was een ideaalbeeld van liefde waarbij een ridder of dichter smachtte naar een vrouw die meestal onbereikbaar was, vaak de vrouw van een hoge edelman. De liefde was verheven, pijnlijk en veredeld – zij maakte de aanbidder tot een beter mens door hem aan te sporen tot dapperheid, grootmoedigheid en verfijnd gedrag. De dame was een ideaal dat bewonderd werd, maar niet bezeten kon worden.
De canso: het liefdeslied
Het belangrijkste genre in de troubadourspoëzie was de canso, het liefdeslied. Dit was een meerstrofig gedicht met een vaste rijmstructuur en melodie, gewijd aan de liefde voor de ongenaakbare dame. Naast de canso kenden troubadours ook andere genres: de sirventes (een politiek of satirisch lied), de planh (een klaagzang bij overlijden), de tenso (een debatlied tussen twee dichters) en de alba (een dageraadslied over geliefden die afscheid moeten nemen).
De trouvères: de noordfranse tegenhanger
Terwijl de troubadours in het zuiden van Frankrijk hun kunst beoefenden, ontwikkelde zich in het noorden van het land een verwante maar onderscheiden traditie: die van de trouvères. De trouvères schreven en zongen in het Frans, de taal van de langue d’oïl, en waren actief van ruwweg de late 12e tot de 14e eeuw.
Overeenkomsten en verschillen met troubadours
Trouvères deelden de liefde voor hoofse thema’s met de troubadours, maar er waren ook duidelijke verschillen. Troubadours richtten hun kunst vrijwel uitsluitend op de hogere adel, terwijl trouvères een breder publiek bedienden: zowel de adel als de opkomende stedelijke burgerij. Bovendien waren trouvères vaak meer maatschappijkritisch en satirisch in hun aanpak dan hun zuidelijke tegenhangers. Bekende trouvères zijn Chrétien de Troyes, beroemd om zijn Arthurromans, en Adam de la Halle, die ook toneelstukken schreef.
De chanson de geste
In noordelijk Frankrijk floreerde ook de chanson de geste, epische heldenzangen over de grote daden van ridders. Het bekendste voorbeeld is het Roelandslied, dat de heldendood van ridder Roeland bij de Slag om Roncevaux bezingt. Deze vorm van epische poëzie was nauw verwant aan de trouvèresbeweging, al werden de chansons de geste niet altijd door trouvères zelf gecomponeerd.
De minnezangers: de Duitse traditie
In het Duitstalige deel van Europa ontwikkelde zich vanaf omstreeks 1150 een eigen variant van de troubadourskunst: de Minnesang, beoefend door de zogenoemde minnezangers. Het woord Minne betekent “liefde” in het Middelhoogduits, en de minnezangers waren dichter-componisten die de onbereikbare vrouw bezingen in de traditie van de hoofse liefde.
Invloed van de troubadours op de Minnesang
De Minnesang was sterk beïnvloed door de Occitaanse troubadourstradities, deels via contacten op de kruistochten en via Italiaanse tussenpersonen. De Duitse minnezangers namen thema’s, genres en melodieën over van de troubadours en pasten die aan aan hun eigen taal en cultuur. De uitdrukking van de hoofse liefde was vergelijkbaar, maar de minnezangers brachten ook meer aardse en directe elementen in hun poëzie.
Beroemde minnezangers
Enkele van de beroemdste minnezangers zijn Walther von der Vogelweide, die bekendstond om zijn politieke en liefdesliederen, Wolfram von Eschenbach, die de Parzival schreef, en Hartmann von Aue. De Minnesang bloeide in Duitsland van circa 1150 tot 1300 en had een grote invloed op de latere meesterzangers, ambachtslieden die in gildeachtig verband poëzie en muziek beoefenden.
De jongleurs: de rondtrekkende entertainers
Tegenover de geleerde dichter-componisten stond een heel andere categorie middeleeuwse artiesten: de jongleurs. Waar troubadours en trouvères componeerden en uitvoerden voor de adel, waren jongleurs beroepsartiesten die leefden van het vermaken van brede publieksgroepen op markten, pleinen en in herbergen.
Het brede repertoire van de jongleur
Een jongleur was een all-round entertainer. Hij of zij kon zingen, muziekinstrumenten bespelen, acrobatiek uitvoeren, dansen, goochelen, toneelstukken opvoeren en epische verhalen voordragen. Jongleurs waren dus niet primair dichters of componisten; zij waren uitvoerders. Vaak voerden zij de liederen van troubadours en trouvères uit voor een publiek dat de verfijnde hoflyriek anders nooit te horen had gekregen.
Sociale status van de jongleur
De sociale status van jongleurs was aanzienlijk lager dan die van de troubadours. Troubadours kwamen vaak uit de adel of de gegoede burgerij en konden dankzij hun kunst hoge beschermheren aan zich binden. Jongleurs leefden doorgaans een zwervend bestaan en waren afhankelijk van het wisselvallige inkomen dat zij met hun optredens konden vergaren. De Kerk keek met argwaan naar jongleurs, die zij associeerde met losbandigheid en werelds vermaak.
De menestrelen: de hoofse muzikanten in dienst
Een begrip dat nauw verwant is aan dat van de jongleur, maar een iets andere lading heeft, is dat van de menestreel. De term is afgeleid van het Latijnse ministerialis, wat “dienaar” betekent. Een menestreel was een muzikant of dichter die vast in dienst was van een edelman of een vorstelijk hof.
Verschil met troubadours en jongleurs
Terwijl troubadours vaak zelfstandige dichter-componisten waren die van hof tot hof trokken op zoek naar bescherming en roem, en jongleurs rondreizende vrije artiesten waren, waren menestrelen vaste hofmusikanten. Zij hadden een geregeld inkomen, woonden bij hun heer en leverden muziek voor feesten, ceremonies en het dagelijks hofleven. In de loop van de late middeleeuwen werden de termen menestreel en jongleur vaak door elkaar gebruikt.
De trovadores: de Iberische traditie
Op het Iberisch Schiereiland, in het huidige Spanje en Portugal, ontwikkelde zich een eigen versie van de troubadourspoëzie: de trovadores van het Galicisch-Portugees. Deze traditie bloeide van de 12e tot de 14e eeuw en kende haar eigen unieke kenmerken.
De Galicisch-Portugese lyriek
De Galicisch-Portugese troubadourstradities bestonden uit drie hoofdgenres: de cantiga de amor (liefdeslied, sterk beïnvloed door de Provençaalse hoofse liefde), de cantiga de amigo (een lied vanuit het perspectief van een vrouw die haar geliefde mist) en de cantiga de escárnio e maldizer (een satirisch of beledigend lied). De cantiga de amigo heeft mogelijk wortels in voorchristelijke volkstradities en is daarmee een van de oudste lyrische vormen in de Westeuropese literatuur.
De impact van troubadours op de middeleeuwse cultuur
De troubadours en hun verwante tradities hadden een enorme invloed op de middeleeuwse samenleving en op de latere literatuur van heel Europa. Zij ontwikkelden een verfijnd vocabulaire voor het beschrijven van liefde en emotie dat eeuwenlang naklonk in Europese poëzie en muziek.
Invloed op de rol van vrouwen
De hoofse liefde zoals bezongen door de troubadours gaf vrouwen een bijzondere, verheven positie in de verbeelding. De dame was het ideaal dat de ridder-dichter voortstuwde naar betere daden. Dit betekende niet dat vrouwen in de praktijk meer vrijheid of macht hadden, maar het bood wel een culturele ruimte waarin de vrouw als object van bewondering en aanbidding centraal stond. Daarmee verschilden de troubadours sterk van de meer klerikale cultuur die vrouwen vaak als gevaar of als ondergeschikt beschouwde.
Erfgoed in de moderne taal en literatuur
Veel begrippen en stijlfiguren die troubadours ontwikkelden, zijn via de Italiaanse dichters van de Dolce Stil Novo en via Dante en Petrarca doorgestroomd in de westerse literatuurtraditie. Het sonnet, een van de meest gebruikte dichterlijke vormen in de westerse literatuur, heeft zijn wortels in de Provençaalse troubadourspoëzie. Ook de moderne opvatting van romantische liefde als iets verhevens en pijnlijks heeft een duidelijke lijn terug naar de fin’amor van de troubadours.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een troubadour en een trouvère?
Een troubadour was actief in het zuiden van Frankrijk (Occitanië) en schreef in het Occitaans, de taal van de langue d’oc. Een trouvère was actief in het noorden van Frankrijk en schreef in het Frans, de taal van de langue d’oïl. Inhoudelijk waren beide tradities verwant – beide gingen over hoofse liefde – maar trouvères bedienden ook een breder, stedelijk publiek naast de adel.
Wat is een minnezanger?
Een minnezanger was een Duitstalige dichter-componist die de hoofse liefdestraditie beoefende, sterk beïnvloed door de Provençaalse troubadours. Het woord Minne betekent “liefde” in het Middelhoogduits. Bekende minnezangers zijn Walther von der Vogelweide en Wolfram von Eschenbach. De Minnesang bloeide in Duitsland van circa 1150 tot 1300.
Wat deed een jongleur in de middeleeuwen?
Een jongleur was een rondtrekkende beroepsartiest die zong, muziek speelde, acrobatiek uitvoerde, goochelde en epische verhalen voordroeg. In tegenstelling tot troubadours, die vaak de eigen composities uitvoerden, voerden jongleurs ook de liederen van anderen uit. Hun sociale status was aanzienlijk lager dan die van de dichter-componisten.
Wanneer bloeiden de troubadours?
De troubadoursbeweging kende haar hoogtijdagen van de late 11e tot de late 13e eeuw, ruwweg van 1100 tot 1300. De Albigenzen-kruistocht (1209-1229) in de Provence verwoestte veel van de hofcultuur die de troubadours voedde en leidde tot een geleidelijke neergang van de Occitaanse traditie. In andere Europese regio’s bleef de verwante traditie van minnezangers en trouvères nog enige tijd doorleven.
Welke thema’s bezong een troubadour?
Het hoofdthema was de hoofse liefde: de onbereikbare dame en de smachtende aanbidder. Daarnaast schreven troubadours ook over ridderdaden, politiek, religie en maatschappijkritiek. Het sirventes was een populair genre voor politieke en satirische liederen. Ook waren er debatten tussen twee dichters (tenso) en klaagzangen bij overlijden (planh).
Hadden troubadours invloed op de moderne muziek en literatuur?
Ja, de invloed van de troubadours is enorm geweest. Via de Italiaanse dichters van de Dolce Stil Novo en via Dante en Petrarca vormden de ideeën van de troubadours de basis van de westerse romantische literatuurtraditie. Het sonnet heeft zijn oorsprong in de Provençaalse poëzie. En de moderne opvatting van romantische liefde als iets pijnlijk verhevens gaat rechtstreeks terug op de fin’amor die troubadours bezongen.










