Wie ontdekte de zwaartekracht en hoe gebeurde dat?

Esmee Koster

Geupdate op:

Wie ontdekte de zwaartekracht en hoe gebeurde dat?
Je leest dit artikel in 9 minuten

Laatst bijgewerkt: 31 maart 2026

Isaac Newton ontdekte de zwaartekracht als universele natuurkracht. Hij publiceerde zijn wet van de universele gravitatie in 1687 in het werk Philosophiae Naturalis Principia Mathematica. Daarvoor hadden wetenschappers al veel losse puzzelstukjes, maar niemand had ze samengevoegd tot een sluitende theorie die zowel op aarde als in de ruimte werkte.

Wat Newton deed, was niet zomaar een appel zien vallen. Hij legde een verband dat tot dan toe niemand had gelegd: de kracht die een appel naar de grond trekt, is precies dezelfde kracht die de maan in haar baan om de aarde houdt. Dat inzicht veranderde de wetenschap voorgoed.

Wat wisten wetenschappers vóór Newton al over zwaartekracht?

Het idee dat voorwerpen naar beneden vallen, is natuurlijk zo oud als de mensheid. Maar een verklaring daarvoor bleef eeuwenlang vaag of ronduit fout. Aristoteles, de Griekse filosoof die leefde van 384 tot 322 voor Christus, had een theorie die bijna tweeduizend jaar lang gold als de waarheid. Volgens hem was het “de aard” van zware voorwerpen om naar het middelpunt van de aarde te bewegen. Zwaardere dingen zouden ook sneller vallen dan lichte. Niemand twijfelde hier lang aan.

Pas in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw begon dat te kantelen. De Italiaanse geleerde Galileo Galilei (1564-1642) deed proeven met vallende voorwerpen, vermoedelijk ook met bollen die hij langs een helling liet rollen. Hij ontdekte iets verrassends: alle voorwerpen vallen even snel, ongeacht hun gewicht. Een ijzeren bal van tien kilo en een van één kilo bereiken tegelijkertijd de grond, als je de luchtweerstand negeert. Dat was een directe weerlegging van Aristoteles.

Galileo beschreef ook hoe de valsnelheid toeneemt: een vallend voorwerp legt in elke seconde een grotere afstand af dan de seconde daarvoor. Hij maakte de eerste wiskundige beschrijving van vrije val. Maar hij gaf geen verklaring voor de oorzaak van die val. Waarom valt iets überhaupt? Dat was nog onbeantwoord.

Tegelijkertijd werkten sterrenkundigen aan de bewegingen van planeten. Johannes Kepler (1571-1630) formuleerde tussen 1609 en 1619 zijn drie wetten voor planetenbewegingen. Hij beschreef nauwkeurig hoe planeten in ellipsvormige banen om de zon draaien en hoe hun snelheid varieert. Maar ook Kepler gaf geen fysische verklaring voor de kracht achter die bewegingen. Het stuk dat ontbrak, was precies het stuk dat Newton zou leveren.

Newton en het befaamde appelverhaal: feit of legende?

Het verhaal gaat zo: Isaac Newton zit in de zomer van 1666 in de tuin van zijn geboorteplaats Woolsthorpe Manor in Lincolnshire, Engeland. Hij kijkt omhoog, een appel valt, en plots begrijpt hij de zwaartekracht. Punt.

De werkelijkheid is genuanceerder. Newton zelf vertelde het appelverhaal pas toen hij in de tachtig was, dus in de jaren twintig van de achttiende eeuw. Het verhaal werd opgetekend door zijn neef John Conduitt. Newton bevestigde de kern: een vallende appel zette hem aan het denken over waarom dingen vallen, en meer nog, waarom de maan niet valt. Die laatste vraag was de sleutel.

Er is wél een historische kern. Het jaar 1666 wordt ook wel Newtons annus mirabilis (wonderjaar) genoemd. De universiteit van Cambridge was gesloten vanwege de pest, en Newton trok zich terug op het platteland. In die relatief rustige periode werkte hij aan grondslagen die later zouden uitgroeien tot zijn grote theorieën. Maar het duurde daarna nog ruim twintig jaar voor hij alles publiceerde. Zijn beroemde werk, de Principia, verscheen pas in 1687.

Of er daadwerkelijk een appel op zijn hoofd viel, wordt door historici betwijfeld. Maar dat hij inspiratie opdeed door nadenken over vallende objecten en de maan, lijkt goed gedocumenteerd. De appel als symbool is een vereenvoudiging, maar niet puur verzinsel.

Hoe Newton de wet van de universele gravitatie afleidde

Newtons grote doorbraak was het verbinden van twee tot dan toe gescheiden werelden: de aardse mechanica (dingen die vallen) en de hemelse mechanica (planeten die bewegen). Hij redeneerde als volgt: als de maan niet in een rechte lijn door de ruimte schiet, maar steeds een beetje afbuigt richting de aarde, dan moet er een kracht zijn die haar naar de aarde trekt. Precies dezelfde soort kracht als die een appel laat vallen.

Hij gebruikte de bekende afstand aarde-maan (ongeveer 384.000 kilometer) en de omlooptijd van de maan (circa 27,3 dagen) om te berekenen hoe sterk die trekkracht moest zijn. Daarna vergeleek hij dat met de valversnelling aan het aardoppervlak. De uitkomsten klopten. De kracht nam af met het kwadraat van de afstand: op dubbele afstand was de kracht vier keer zo zwak, op driedubbele afstand negen keer zo zwak. Dit is de omgekeerde kwadraatwet.

De formule die Newton opstelde, luidt: F = G x (m1 x m2) / r². Hierin is F de aantrekkingskracht tussen twee objecten, m1 en m2 hun massa’s, r de afstand tussen hun middelpunten, en G de gravitatieconstante. Die laatste werd pas in 1798 nauwkeurig gemeten door Henry Cavendish: G = 6,674 x 10 tot de min-elf m³ per kilogram per seconde kwadraat. Een heel klein getal, dat verklaart waarom je de gravitatie tussen twee mensen niet voelt maar de zwaartekracht van de aardbol van bijna zes biljard kilogram wél.

Newton liet hiermee ook zien dat zijn wet de banen van planeten kon verklaren die Kepler had beschreven. Keplers drie wetten volgden wiskundig rechtstreeks uit Newtons gravitatiewet. Dat was een enorme bevestiging.

De drie scenario’s die Newtons theorie samenbrengt

Wat Newtons wet zo krachtig maakt, is dat één formule drie ogenschijnlijk verschillende situaties precies beschrijft. Hieronder een overzicht van die drie deelgevallen.

Situatie Wat er gebeurt Verklaard door Newton
Appel valt van boom Aarde trekt appel aan met kracht F F = G x m(aarde) x m(appel) / r²
Maan draait om aarde Maan valt “voortdurend” maar schiet ook zijwaarts weg: constante baan Dezelfde gravitatiekracht zorgt voor centripetale versnelling
Planeten draaien om zon Ellipsvormige banen, dichter bij zon = sneller Keplers drie wetten volgen wiskundig uit F = Gm1m2/r²
Getijden op aarde Oceanen worden aangetrokken door maan en zon Verschil in gravitatiekracht over het aardoppervlak
Vallende kanonskogel Vliegt in boogvorm, valt naar aarde Projectielbeweging = combinatie horizontale snelheid + valversnelling
Kunstmaan in baan Satelliet blijft in stabiele baan om aarde Zoals de maan: valt maar schiet ook voortdurend opzij

Dit gegeven, dat één wet voor zo veel verschillende verschijnselen geldt, was in de zeventiende eeuw werkelijk revolutionair. Vroeger dachten wetenschappers dat de “hemelsfeer” andere wetten volgde dan de aarde. Newton bewees dat dit een illusie was.

De Principia Mathematica: het boek dat alles veranderde

Op 5 juli 1687 publiceerde Newton zijn Philosophiae Naturalis Principia Mathematica, kortweg de Principia. Het boek telt drie delen. Het eerste deel behandelt de bewegingswetten in het algemeen. Het tweede deel gaat over beweging in weerstands-biedende media, zoals vloeistoffen. Het derde deel past alles toe op het zonnestelsel.

In de Principia staan ook Newtons drie bewegingswetten, die losstaan van de gravitatiewet maar er nauw mee verweven zijn. De eerste wet zegt dat een voorwerp in rust blijft of in constante rechte beweging tenzij een kracht ingrijpt. De tweede wet beschrijft hoe een kracht massa versnelt (F = m x a). De derde wet stelt dat elke actie een gelijke maar tegengestelde reactie heeft. Deze vier wetten samen (drie bewegingswetten plus de gravitatiewet) vormen de basis van de klassieke mechanica.

Het boek was geschreven in het Latijn, de internationale wetenschapstaal van die tijd. De wiskundige bewijzen zijn opgesteld in een geometrische stijl die Newtons tijdgenoten al moeilijk vonden. Toch werd het direct erkend als buitengewoon. De astronoom Edmond Halley, die het drukken van de Principia financierde, begreep meteen de reikwijdte. Halley is dezelfde die later de komeet berekende die zijn naam draagt, mede dankzij Newtons gravitatietheorie.

Voor wie geïnteresseerd is in hoe wetenschappelijk onderzoek in zijn werk gaat, is de aanpak van Newton een schoolvoorbeeld: van observatie via hypothese naar wiskundige bewijsvoering en empirische toetsing. Meer over de stappen in een wetenschappelijk onderzoek lees je op de pagina over de stappen van wetenschappelijk onderzoek.

Wie is Newton eigenlijk, en wat is zijn bredere erfenis?

Isaac Newton werd op 4 januari 1643 (nieuwe stijl) geboren in Woolsthorpe-by-Colsterworth, Engeland. Zijn vader stierf voor zijn geboorte en zijn moeder hertrouwde toen hij drie jaar oud was, waarna hij bij zijn grootmoeder opgroeide. Als kind was hij niet meteen opvallend als genie, maar op de universiteit van Cambridge toonde hij al vroeg zijn buitengewone vermogen om wiskundige structuren te zien waar anderen dat niet deden.

Naast de gravitatietheorie deed Newton baanbrekend werk op drie andere terreinen. Ten eerste ontwikkelde hij samen met Gottfried Wilhelm Leibniz, onafhankelijk van elkaar, de differentiaal- en integraalrekening, een tak van de wiskunde die essentieel is voor vrijwel alle moderne technologie. Ten tweede deed hij grensverleggend onderzoek naar licht: hij bewees dat wit licht bestaat uit alle kleuren van het spectrum door het door een prisma te sturen. Ten derde bouwde hij de eerste praktisch werkende reflectietelescoop.

Newton leefde tot 31 maart 1727, 84 jaar oud. Hij werd begraven in Westminster Abbey, een eer die zelden aan wetenschappers toeviel. Op zijn grafsteen staat onder meer dat de mensheid hem gelukkig mag prijzen dat zo’n sieraad van het menselijk geslacht heeft bestaan.

Zijn werk staat niet op zichzelf in de geschiedenis van wetenschap en beschaving. Net zoals de Venus van Milo een onvervangbaar kunstobject is uit de Griekse oudheid, is de Principia een onvervangbaar wetenschappelijk monument. En net zoals hiërogliefen ons laten zien hoe mensen dachten en communiceerden in het oude Egypte, laat Newtons werk zien hoe de mensheid in de zeventiende eeuw de natuur begon te begrijpen op een manier die tot op de dag van vandaag geldt.

Einsteins relativiteitstheorie: hoe Newton werd aangevuld maar niet vervangen

In 1915 publiceerde Albert Einstein zijn algemene relativiteitstheorie. Die beschrijft zwaartekracht niet als een kracht, maar als een kromming van de ruimte-tijd. Een massa zoals de zon buigt de ruimte-tijd om zich heen, en andere objecten volgen die kromming: dat noemen wij hun baan.

Betekent dit dat Newton het fout had? Nee, niet echt. Newtons formules geven voor vrijwel alle praktische toepassingen nauwkeurige uitkomsten. De baan van de maan, de vluchtkoers van een raket naar Mars, de getijden op aarde: allemaal te berekenen met Newtons wet. Alleen bij extreem sterke zwaartekrachtvelden (nabij zwarte gaten) of bij snelheden dicht bij de lichtsnelheid wijken de voorspellingen af. Dan heb je Einsteins correctie nodig.

Een mooi voorbeeld van het verschil: de planeet Mercurius draait iets sneller om haar as dan Newtons wet voorspelt. Dat kleine verschil kon met Einsteins theorie wél worden verklaard. Dat was een van de eerste empirische bevestigingen van de algemene relativiteitstheorie, in 1915. Newton had de wereld 228 jaar lang prima bediend voordat iemand de grenzen van zijn theorie vond.

Ook de ontdekking van zwaartekrachtsgolven, bevestigd door het LIGO-observatorium in 2015, is een fenomeen dat Einstein voorspelde maar Newton niet kende. Zwaartekrachtsgolven zijn rimpels in de ruimte-tijd die worden veroorzaakt door botsende zwarte gaten of neutronensterren op miljoenen lichtjaren afstand. Ze reizen met de lichtsnelheid door het heelal.

Voor het dagelijks leven, voor technische toepassingen zoals satellietnavigatie, en voor ruimtevaarttechniek blijft Newtons wet de standaard. GPS-systemen moeten trouwens ook kleine relativistische correcties doorvoeren, maar de basisberekening begint bij Newton. Vergelijk het met de vraag hoe een tsunami ontstaat: ook daar ligt klassieke vloeistofdynamica en gravitatie ten grondslag, niet de kwantummechanica.

Tijdlijn: van Aristoteles tot gravitatiegolven

Hieronder zie je hoe het begrip van zwaartekracht zich door de eeuwen heen heeft ontwikkeld.

  1. Circa 350 v.Chr.: Aristoteles stelt dat zware voorwerpen sneller vallen dan lichte, en dat de aarde het “natuurlijke middelpunt” is voor alle materie.
  2. 1589-1592: Galileo Galilei doet valproeven en toont aan dat alle voorwerpen even snel vallen, ongeacht massa. Hij formuleert de eerste wiskundige valwet.
  3. 1609-1619: Johannes Kepler publiceert zijn drie planetarische wetten, die de bewegingen van planeten beschrijven maar niet verklaren.
  4. 1666: Newton trekt zich terug op het platteland vanwege de pest en begint de grondslagen te leggen voor zijn gravitatietheorie. Het appelverhaal stamt uit deze periode.
  5. 1687: Newton publiceert de Principia Mathematica met de wet van de universele gravitatie en zijn drie bewegingswetten.
  6. 1798: Henry Cavendish meet voor het eerst nauwkeurig de gravitatieconstante G met zijn torsiebalansproef.
  7. 1915: Einstein publiceert zijn algemene relativiteitstheorie, die zwaartekracht beschrijft als ruimte-tijdkromming.
  8. 2015: LIGO detecteert voor het eerst zwaartekrachtsgolven, een voorspelling van Einstein bevestigd na honderd jaar.

Deze tijdlijn laat zien dat wetenschappelijke kennis altijd voortbouwt op eerdere inzichten. Galileo corrigeerde Aristoteles, Newton bouwde voort op Galileo en Kepler, en Einstein verfijnde Newton. Dat is hoe wetenschap werkt: geen tabula rasa maar een voortdurend aanscherpen van het beeld.

Overigens is zwaartekracht van de vier fundamentele krachten in de natuur nog altijd de minst begrepen. De andere drie (elektromagnetisme, sterke kernkracht, zwakke kernkracht) zijn beschreven door de kwantummechanica. Zwaartekracht nog niet. Het combineren van de algemene relativiteitstheorie met de kwantummechanica, een zogenaamde kwantumgravitatie, is nog steeds een onopgelost probleem in de fysica.

Voor wie de link wil leggen met andere grootse historische mysteries, is het ook interessant om te lezen over de sfinx in Egypte, een ander monument van menselijke nieuwsgierigheid en kennis. Net zoals de sfinx vragen oproept over het oude Egypte, roept de onvolledige theorie van zwaartekracht vragen op die de wetenschap van de 21e eeuw bezighoudt.

Veelgestelde vragen

Heeft Newton de zwaartekracht echt ontdekt omdat een appel op zijn hoofd viel?

De appel viel waarschijnlijk niet letterlijk op zijn hoofd. Newton vertelde zelf dat hij een appel zag vallen en daardoor begon na te denken over de vraag waarom de maan niet valt. Het appelverhaal is een vereenvoudigde versie van een periode van intensief nadenken, die uiteindelijk pas in 1687 leidde tot de publicatie van zijn gravitatiewet. Historici nemen de kern van het verhaal serieus, maar de dramatische uitvoering is vermoedelijk overdreven.

Was Newton de eerste die begreep dat dingen vallen?

Nee. Aristoteles had al een theorie over vallen, en Galileo deed al in de late zestiende eeuw valproeven. Wat Newton deed, was uniek: hij koppelde het vallen van aardse voorwerpen aan de beweging van hemellichamen als de maan en de planeten. Daarmee was hij de eerste die een universele kracht beschreef die overal in het heelal geldt, op dezelfde manier, beschreven door één wiskundige formule. Dat was het baanbrekende inzicht.

Wat is de formule voor de wet van de universele gravitatie?

De formule is F = G x (m1 x m2) / r². F is de aantrekkingskracht tussen twee objecten in Newton. M1 en m2 zijn de massa’s van de twee objecten in kilogram. R is de afstand tussen hun middelpunten in meter. G is de gravitatieconstante, met de waarde 6,674 x 10 tot de min-elf m³ per kilogram per seconde kwadraat. Hoe groter de massa’s en hoe kleiner de afstand, hoe sterker de aantrekkingskracht.

Klopt de theorie van Newton nog steeds, of heeft Einstein hem ingehaald?

Newton klopt nog steeds voor vrijwel alle praktische toepassingen: satellietbanen, ruimtevaarttechniek, getijdenberekeningen, valproeven. Einstein bood een diepere beschrijving door zwaartekracht te zien als ruimte-tijdkromming. Die beschrijving is nauwkeuriger bij extreem sterke zwaartekrachtsvelden of snelheden dicht bij de lichtsnelheid. In het dagelijks leven en in de meeste technologie is Newtons wet prima voldoende. Einstein heeft Newton aangevuld, niet vervangen.

Wanneer publiceerde Newton zijn theorie precies?

Newton publiceerde de Principia Mathematica op 5 juli 1687, nadat hij al in 1666 de eerste ideeën had ontwikkeld. Dat betekent dat hij meer dan twintig jaar werkte aan de uitwerking voordat hij publiceerde. De publicatie werd mede mogelijk gemaakt door astronoom Edmond Halley, die de drukkosten betaalde. Het boek bevat naast de gravitatiewet ook Newtons drie bewegingswetten en hun toepassing op het zonnestelsel.

Waarom voelen mensen onderling geen zwaartekracht?

Ze doen dat in theorie wel, maar de kracht is verwaarloosbaar klein. De aarde heeft een massa van bijna zes biljard kilogram (6 x 10 tot de 24e macht kg). Twee mensen van elk 70 kilogram op een meter afstand trekken elkaar aan met een kracht van minder dan een miljoenste van een Newton. Dat is voor mensen niet voelbaar. Pas bij massa’s op planetaire schaal wordt de gravitatiekracht merkbaar. Dat is ook waarom de gravitatieconstante G zo’n klein getal is.

VL
Redactie Veel.nlOnze redactie schrijft informatieve artikelen over uiteenlopende onderwerpen.

Geef een reactie