Machu Picchu werd op 24 juli 1911 onder de aandacht van de westerse wereld gebracht door de Amerikaanse historicus en ontdekkingsreiziger Hiram Bingham III. Maar de werkelijkheid is genuanceerder: lokale boeren en inheemse gemeenschappen kenden de ruïnes al eeuwen voor Bingham er een voet zette. Dit artikel legt uit hoe die “ontdekking” precies in zijn werk ging, wie er eigenlijk eerder was, en welk probleem er achter de officiële versie van het verhaal schuilt.
Het probleem: wie “ontdekte” eigenlijk wat?
De term “ontdekking” is misleidend als het om Machu Picchu gaat. Wanneer historici schrijven dat Bingham de stad ontdekte, bedoelen ze dat hij de eerste was die het complex internationaal bekendmaakte. Maar Machu Picchu was nooit echt “verloren”. Inheemse Quechua-gemeenschappen in de Urubamba-vallei wisten precies waar de ruïnes lagen. Lokale families bebouwden zelfs al generaties lang de terrassen rondom het complex.
Het echte probleem is een conflict tussen twee definities van ontdekken. De ene definitie staat voor het voor het eerst ergens komen als buitenstaander. De andere staat voor het voor het eerst documenteren en publiceren over een plek, zodat de rest van de wereld er kennis van neemt. Bingham deed het tweede. Hij deed het eerste niet.
Dit onderscheid is niet alleen een academische haarkloverij. Het gaat over de vraag wie de eer krijgt voor een van de spectaculairste archeologische vondsten van de twintigste eeuw, en wie er door de geschiedenis heen buiten beeld is gehouden. De discussie over dit onderwerp is in Peru tot op de dag van vandaag actueel.
De oorzaak: een expeditie op zoek naar iets anders
Hiram Bingham III was in 1911 geen archeoloog in de klassieke zin. Hij was historicus en doceerde aan Yale University. Hij was naar Peru gekomen met een specifiek doel: hij zocht Vilcabamba, de laatste schuilplaats van de Inca’s tijdens de Spaanse verovering in de zestiende eeuw. Vilcabamba gold als de legendarische “verloren stad van de Inca’s” en had Bingham al jaren gefascineerd.
In 1911 organiseerde hij een expeditie namens Yale. Op 24 juli van dat jaar klom hij samen met zijn gids, de lokale boer Melchor Arteaga, en een Peruaanse legerofficier genaamd Sargento Carrasco een steile bergrug op in het Urubamba-gebergte. Arteaga wist precies waar hij naartoe moest. Twee lokale jongens, kinderen van een boer die er woonde, leidden de groep uiteindelijk naar de stenen terrassen en gebouwen die half verborgen lagen onder dichte begroeiing.
Bingham had verwacht een kleine ruïne te vinden. Wat hij aantrof, was een complex van honderden gebouwen, terrassen, pleinen en tempels in verbluffend goede staat. Hij begreep meteen dat dit iets bijzonders was, ook al wist hij in eerste instantie niet zeker of dit Vilcabamba was (dat bleek het niet te zijn). Het is vergelijkbaar met het verhaal achter andere grote historische ontdekkingen, zoals de ontdekking van de Steen van Rosetta: ook daar waren lokale arbeiders de eersten die de vondst deden, maar Europese wetenschappers kregen de credits.
Wie was er eerder: Agustín Lizárraga en anderen
Negen jaar voor Bingham klom een Peruaanse landeigenaar en verkenner genaamd Agustín Lizárraga op 14 juli 1902 naar de ruïnes van Machu Picchu. Lizárraga was op zoek naar landbouwgrond voor zijn werkgevers en trok door het bergterrein totdat hij op het complex stuitte. Om zijn aanwezigheid te markeren, kraste hij zijn naam en het jaar in de steen van de Tempel van de Drie Vensters: “A. Lizárraga 1902”.
Toen Bingham in 1911 aankwam, zag hij deze inscriptie. Hij noteerde het in zijn dagboek. In zijn latere officiële publicaties maakte hij er echter geen melding van. Peru erkent Lizárraga officieel als de eerste niet-inheemse bezoeker van Machu Picchu in de moderne tijd.
Naast Lizárraga zijn er aanwijzingen dat andere Peruaanse ontdekkingsreizigers en avonturiers de ruïnes al in de decennia voor Bingham hadden bezocht. De gebroeders Leopoldo en Enrique Palma zouden in 1901 in de buurt zijn geweest. En dan zijn er de eeuwenlange bewoners zelf: Quechua-boerenfamilies die de terrassen bewerkten en de gebouwen kenden als onderdeel van hun dagelijkse omgeving.
Hieronder een overzicht van de belangrijkste personen die een rol speelden in de “ontdekking” van Machu Picchu:
| Persoon | Jaar | Rol | Nationaliteit |
|---|---|---|---|
| Inheemse Quechua-families | eeuwen voor 1900 | Bewoonden en bewerkten het terrein | Peruaans (inheems) |
| Agustín Lizárraga | 14 juli 1902 | Eerste gedocumenteerde niet-inheemse bezoeker | Peruaans |
| Melchor Arteaga | 24 juli 1911 | Gids die Bingham naar de ruïnes leidde | Peruaans |
| Hiram Bingham III | 24 juli 1911 | Eerste internationale publicatie en opgraving | Amerikaans |
| Yale University / National Geographic | 1912-1915 | Financierden grotere opgravingen | Amerikaans |
| Peruviaanse overheid | 2012 | Ontving duizenden artefacten terug van Yale | Peruaans |
De oplossing: hoe Bingham de wereld wél bereikte
Hoe genuanceerd het verhaal ook is, de bijdrage van Hiram Bingham aan de bekendheid van Machu Picchu is onmiskenbaar groot. Na zijn bezoek in 1911 publiceerde hij een gedetailleerd artikel in National Geographic Magazine. De editie van april 1913 was volledig aan Machu Picchu gewijd en bevatte honderden foto’s die Bingham zelf had genomen. Het was een sensatie. Miljoenen mensen zagen voor het eerst beelden van de stenen stad hoog in de Andes.
In 1912 keerde Bingham terug met een grotere expeditie, gefinancierd door Yale en het National Geographic Society, dat zijn eerste grote archeologische subsidie uitreikte. Zijn team legde het complex nauwkeurig vast, maakte plattegronden en begon met opgravingen. Ze namen ook duizenden artefacten mee terug naar de Verenigde Staten: keramiek, textiel, skeletten en stenen werktuigen. In totaal ging het om 5.415 loten aan objecten, waaronder de resten van zo’n 173 individuen.
Bingham publiceerde in 1948 zijn beroemde boek “Lost City of the Incas”, waarin hij zijn eigen rol als ontdekker centraal stelde. Het boek werd een bestseller en verankerde zijn naam definitief in de geschiedenis van Machu Picchu. Zijn verhaal inspireerde ook deels het personage van Indiana Jones.
De manier waarop Bingham Machu Picchu internationaal op de kaart zette, doet denken aan andere historische momenten waarbij Europese en Amerikaanse wetenschappers eeuwenoude kennis “ontdekten” voor een westers publiek, vergelijkbaar met hoe de ontsluiering van de betekenis van hiërogliefen ook grotendeels op naam van Europese wetenschappers staat, terwijl de kennis al eeuwen in Egypte aanwezig was.
De artefactenkwestie: een conflict dat decennia duurde
De meegenomen artefacten zorgden voor een langdurig conflict tussen Peru en Yale University. Peru had in 1912 toestemming gegeven voor een tijdelijk “bruikleen” van de objecten, met de uitdrukkelijke afspraak dat ze terugkomen zodra Peru erom vroeg. Yale behandelde de collectie echter als permanent bezit en stalde alles op in het Peabody Museum.
In de jaren negentig begon Peru steeds luider te eisen dat de artefacten teruggebracht werden. De onderhandelingen sleepten zich decennia voort. Pas na druk van de Peruaanse overheid, juridische stappen en diplomatieke interventie op het hoogste niveau, waaronder persoonlijke bemiddeling van de Amerikaanse president, gaf Yale overstag. In 2012 werd het grootste deel van de collectie officieel overgedragen aan het nieuwe Qorikancha-museum in Cusco.
Dit conflict illustreert een breder patroon in de koloniale geschiedenis van archeologie, waarbij westerse instellingen objecten meenamen uit niet-westerse landen en die lange tijd weigerden terug te geven. Het doet denken aan vergelijkbare debatten over het eigendom van historische voorwerpen, zoals de discussie over Egyptische antiquiteiten in westerse musea, een thema dat je ook terugvindt als je leest over de sfinx in Egypte en zijn bewogen geschiedenis.
Machu Picchu vandaag: erfgoed en toerisme
In 1983 verklaarde UNESCO Machu Picchu tot Werelderfgoed. In 2007 werd het complex gekozen tot een van de Zeven Nieuwe Wereldwonderen. Jaarlijks bezoeken ongeveer 1 tot 1,5 miljoen toeristen de site, wat het de grootste toeristische trekpleister van heel Latijns-Amerika maakt.
Omdat de druk van het toerisme te groot werd, voerde Peru strenge bezoekerslimieten in. Tegenwoordig mogen er per dag maximaal 2.500 bezoekers op de site. Bezoekers moeten verplicht gidsen inhuren en mogen niet meer vrij rondlopen. De Peruaanse overheid investeert flink in het onderhoud en de bescherming van de muren, terrassen en gebouwen.
Er is ook een lopend debat over de vraag of Machu Picchu een koninklijk landgoed was van de Inca-heerser Pachacuti (circa 1438-1472) of een religieus centrum. De meeste hedendaagse historici neigen naar de landgoed-theorie: Machu Picchu diende waarschijnlijk als privéretraite voor Pachacuti en zijn hofhouding, gebouwd rond het midden van de vijftiende eeuw. Na de Spaanse verovering werd het verlaten en raakte het buiten de westerse wereld in vergetelheid, al bleven lokale gemeenschappen het kennen.
De discussie over wie Machu Picchu “echt” ontdekte, heeft geleid tot een bredere erkenning van inheemse bijdragen aan de archaeologie. In Peru wordt Agustín Lizárraga steeds vaker erkend als de werkelijke pionier uit de moderne tijd. Zijn naam staat nu in historische overzichten naast die van Bingham, niet eronder. Dat is een verschuiving die vergelijkbaar is met de herziening van andere historische verhalen, zoals de vraag wie eigenlijk ontdekte dat de aarde rond is: ook daarin blijkt de populaire versie flink vereenvoudigd.
Drie deelgevallen: Bingham, Lizárraga en de inheemse bewoners vergeleken
Om het volledige beeld te schetsen, is het nuttig de drie belangrijkste “ontdekkers” afzonderlijk te bekijken:
Deelgeval 1: De inheemse Quechua-gemeenschappen. Zij waren eeuwenlang aanwezig in en rond Machu Picchu. Families als die van Anacleto Álvarez bebouwden de terrassen en onderhielden de paden. Hun kennis van de ruïnes was volledig en gedetailleerd. Maar omdat zij nooit publiceerden in westerse tijdschriften, werden ze door de westerse wereld over het hoofd gezien. Vanuit hun perspectief was er geen ontdekking: de plek was altijd bekend.
Deelgeval 2: Agustín Lizárraga (1902). Lizárraga was een Peruaan van mestizo-afkomst, geen inheemse Quechua. Hij bereikte de ruïnes op eigen initiatief en markeerde zijn bezoek met een inscriptie. Hij deed geen wetenschappelijk onderzoek en publiceerde niets, waardoor zijn bezoek decennia lang onbekend bleef voor de internationale gemeenschap. In Peru wordt hij nu erkend als de eerste niet-inheemse moderne bezoeker.
Deelgeval 3: Hiram Bingham III (1911). Bingham publiceerde, fotografeerde en bracht Machu Picchu internationaal op de kaart. Zijn artikel in National Geographic en zijn boek uit 1948 bereikten miljoenen lezers. Zijn expedities legden de basis voor systematisch archeologisch onderzoek. Maar hij nam ook duizenden artefacten mee zonder permanente toestemming, en hij verzweeg de eerdere inscriptie van Lizárraga. Zijn rol is dus zowel enorm groot als omstreden.
De drie deelgevallen laten zien dat “ontdekking” zelden een enkelvoudige gebeurtenis is. Het is een gelaagd proces waarbij meerdere actoren een rol spelen, elk met andere middelen en een ander publiek. Een vergelijkbaar patroon zie je bij andere historische figuren wier bijdragen achteraf werden gecorrigeerd, zoals de bijdrage van Mahatma Gandhi, wiens werkelijke invloed pas decennia later volledig werd erkend.
Hieronder een tijdlijn van de belangrijkste momenten na 1911:
- 1911: Hiram Bingham bereikt Machu Picchu op 24 juli. Hij fotografeert het complex uitgebreid en noteert details in zijn dagboek.
- 1912: Een grotere expeditie, gefinancierd door Yale en National Geographic, begint met opgravingen. Ruim 5.000 artefacten gaan mee naar de VS.
- 1913: National Geographic wijdt een volledige editie aan Machu Picchu. De internationale bekendheid explodeert.
- 1948: Bingham publiceert “Lost City of the Incas”. Zijn versie van de ontdekking wordt de canonieke lezing.
- 1983: UNESCO verklaart Machu Picchu tot Werelderfgoed.
- 2007: Machu Picchu wordt gekozen tot een van de Zeven Nieuwe Wereldwonderen in een mondiale stemming.
- 2012: Yale draagt duizenden artefacten over aan Peru, na jarenlange diplomatieke druk en rechtszaken.
- 2023: Peru versterkt het bezoekersregime met striktere tijdslots en verplichte gidsen om erosie tegen te gaan.
Veelgestelde vragen
Op welke datum ontdekte Hiram Bingham Machu Picchu?
Bingham bereikte de ruïnes op 24 juli 1911. Hij klom die dag samen met zijn gids Melchor Arteaga en een Peruaanse legersergeant een bergrug op in de Andes. Lokale kinderen leidden hen vervolgens naar het hart van het complex. De datum, 24 juli, wordt in Peru herdacht als de officiële dag van de moderne ontdekking van Machu Picchu.
Waarom wordt gezegd dat Bingham Machu Picchu “herontdekte” en niet ontdekte?
Omdat het complex nooit werkelijk verloren was. Inheemse Quechua-families woonden en werkten er ook na de Spaanse verovering. Agustín Lizárraga bezocht de ruïnes al in 1902. Bingham was de eerste die uitgebreid publiceerde over de plek en deze internationaal bekendmaakte, maar hij was zeker niet de eerste mens ter plekke. Herontdekking is dan ook een nauwkeuriger term voor zijn prestatie.
Wie was Agustín Lizárraga en wat is zijn rol?
Agustín Lizárraga was een Peruaanse verkenner en landeigenaar die op 14 juli 1902 Machu Picchu bezocht. Hij kerfde zijn naam en het jaar in een steen van de Tempel van de Drie Vensters. Bingham zag deze inscriptie in 1911 maar vermeldde haar niet in zijn officiële publicaties. Peru erkent Lizárraga officieel als de eerste niet-inheemse bezoeker van Machu Picchu in de moderne tijd.
Wat nam Bingham mee en wanneer zijn die artefacten teruggegeven?
Binghams expedities namen in totaal meer dan 5.000 objecten mee naar Yale University, waaronder keramiek, textiel, stenen werktuigen en skeletten van zo’n 173 individuen. Peru had toestemming gegeven voor een tijdelijk bruikleen, maar Yale behandelde de collectie als permanent bezit. Na decennia van diplomatieke druk, rechtszaken en persoonlijke lobbying van de Peruaanse president bij het Witte Huis, droeg Yale in 2012 het grootste deel terug over aan Peru.
Wanneer werd Machu Picchu een Wereldwonder en hoeveel bezoekers komen er jaarlijks?
Machu Picchu werd in 1983 door UNESCO erkend als Werelderfgoed. In 2007 werd het door een mondiale publieksstemming uitgeroepen tot een van de Zeven Nieuwe Wereldwonderen. Jaarlijks bezoeken ongeveer 1 tot 1,5 miljoen toeristen de site. Om de ruïnes te beschermen, heeft Peru een daglimiet van maximaal 2.500 bezoekers ingesteld, waarbij tijdslots en verplichte gidsen verplicht zijn.
Voor welk doel bouwden de Inca’s Machu Picchu?
De meeste historici gaan er tegenwoordig van uit dat Machu Picchu diende als koninklijk landgoed voor de Inca-heerser Pachacuti, die regeerde van circa 1438 tot 1471. Het complex was waarschijnlijk een privéretraite en ritueel centrum voor de vorst en zijn hofhouding. Na de Spaanse verovering van het Inca-rijk in de zestiende eeuw werd Machu Picchu verlaten en raakte het in westerse bronnen in vergetelheid, al bleven lokale inheemse gemeenschappen de ligging kennen. Het complex had ook een sterke religieuze functie, met tempels gewijd aan de zon, de maan en andere Inca-goden. Meer over de betekenis van mythologie en godendienst in oude culturen lees je bij het artikel over mythologie.










