Werner Heisenberg ontwikkelde de onzekerheidsrelatie in februari 1927. Hij werkte op dat moment als assistent van Niels Bohr in Kopenhagen en formuleerde tijdens een korte periode dat Bohr op skivakantie was een van de meest revolutionaire principes uit de natuurkunde: je kunt de positie en de impuls van een deeltje nooit tegelijkertijd precies weten.
Die uitspraak klinkt misschien als een praktisch meetprobleem, maar dat is het niet. Het gaat om iets fundamentelers: de natuur zelf legt een harde grens op aan hoe nauwkeurig bepaalde combinaties van eigenschappen tegelijk bepaald kunnen zijn. Geen enkel meetinstrument, hoe geavanceerd ook, kan die grens omzeilen. Dat inzicht veranderde de fysica voorgoed.
Wie was Werner Heisenberg?
Werner Karl Heisenberg werd geboren op 5 december 1901 in Würzburg, Duitsland. Hij groeide op in een academisch milieu: zijn vader was hoogleraar Grieks aan de Universiteit van München. Al vroeg toonde Heisenberg een uitzonderlijk talent voor wiskunde en natuurkunde. Op zijn twintigste begon hij zijn studie in München bij de befaamde Arnold Sommerfeld, een van de belangrijkste leermeester-mentoren in de theoretische fysica van dat tijdperk.
Binnen twee jaar had Heisenberg al vier wetenschappelijke artikelen gepubliceerd. Sommerfeld stuurde hem naar Göttingen om te werken bij Max Born, een andere sleutelfiguur in de opkomende kwantumtheorie. In 1923 promoveerde hij in München en begon zijn werk aan wat later de matrixmechanica zou worden: de eerste volledige wiskundige formulering van de kwantummechanica.
In 1925 publiceerde Heisenberg zijn baanbrekende artikel over de matrixmechanica, samen met Born en Pascual Jordan. Dat artikel legde de basis voor de formele wiskunde achter de quantumwereld. Twee jaar later, in 1927, formuleerde hij de onzekerheidsrelatie. Datzelfde jaar werd hij, op 25-jarige leeftijd, aangesteld als hoogleraar in Leipzig: de jongste gewone hoogleraar in heel Duitsland op dat moment. In 1932 ontving hij de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor de grondlegging van de kwantummechanica.
De aanloop: matrixmechanica en golfmechanica
Om de onzekerheidsrelatie te begrijpen, helpt het om te weten hoe de kwantummechanica in de jaren twintig tot stand kwam. Aan het begin van die decade waren er twee rivaliserende wiskundige beschrijvingen van de quantumwereld: de matrixmechanica van Heisenberg (1925) en de golfmechanica van Erwin Schrödinger (1926). Beide leken wiskundig heel anders, maar leverden dezelfde voorspellingen op. Schrödinger bewees in 1926 dat ze wiskundig equivalent zijn.
Heisenberg was aanvankelijk niet enthousiast over de golfmechanica. Hij vond het ongepast om over golven te praten als je niet precies kon zeggen wat er nu eigenlijk golft. Bohr, zijn collega en mentor, dacht juist dat beide beelden elk een deel van de waarheid vingen. Die spanning leidde tot intense discussies, die Heisenberg uiteindelijk aanzetten tot het formuleren van de onzekerheidsrelatie.
Begin 1927 vroeg Heisenberg zich af: wat betekenen de wiskundige grootheden in zijn vergelijkingen eigenlijk fysisch? Hij probeerde concreet te redeneren over een meting van de positie van een elektron. Daarvoor zou je licht op het elektron moeten schijnen, maar licht oefent ook een kracht uit op het elektron. Hoe korter de golflengte van het licht (en dus hoe nauwkeuriger de positiemeting), hoe harder het elektron wordt aangestoten en hoe onzekerder zijn impuls wordt. Zo bereikte hij de redenering die leidde tot de onzekerheidsrelatie.
De onzekerheidsrelatie: kern van het principe
De onzekerheidsrelatie stelt dat de onnauwkeurigheid in de positie (aangeduid als delta-x) vermenigvuldigd met de onnauwkeurigheid in de impuls (delta-p) altijd groter dan of gelijk aan een bepaalde grenswaarde is. Die grenswaarde is de gereduceerde Planck-constante (ook wel h-streep of hbar genoemd), gedeeld door twee. In formulevorm: delta-x maal delta-p is groter dan of gelijk aan hbar/2.
De gereduceerde Planck-constante heeft een waarde van ongeveer 1,055 keer 10 tot de macht min 34 joule-seconde. Dat is een onvoorstelbaar klein getal, en precies daarom merken we in het dagelijks leven niets van de onzekerheidsgrenzen: bij een tennisbal of een auto zijn de onzekerheden zo klein dat ze compleet verwaarloosbaar zijn. Maar bij elektronen, protonen en fotonen speelt de relatie een dominante rol.
Dezelfde relatie bestaat ook voor energie en tijd: een systeem dat kort bestaat kan zijn energie minder nauwkeurig bepalen dan een systeem dat lang bestaat. Dat is geen meetfout. Het is een eigenschap van de natuur zelf: deeltjes in de kwantumwereld hebben eenvoudigweg geen scherpe positie en impuls tegelijk.
Centrale vergelijking en sleutelbegrippen op een rij
De onderstaande tabel geeft de kernbegrippen van de onzekerheidsrelatie overzichtelijk weer:
| Begrip | Symbool / notatie | Betekenis |
|---|---|---|
| Positie-onzekerheid | delta-x | Hoe nauwkeurig je de locatie van een deeltje kunt meten |
| Impuls-onzekerheid | delta-p | Hoe nauwkeurig je de bewegingshoeveelheid kunt meten |
| Planck-constante (gereduceerd) | hbar (circa 1,055 x 10^-34 J·s) | De fundamentele grens die de natuur oplegt |
| Heisenberg-relatie (positie-impuls) | delta-x · delta-p groter of gelijk aan hbar/2 | Kernformule van het principe |
| Energie-tijdrelatie | delta-E · delta-t groter of gelijk aan hbar/2 | Tweede onzekerheidsrelatie (energie en tijdsduur) |
| Kopenhagen-interpretatie | Bohr, Heisenberg e.a., 1927 | Filosofische duiding: deeltjes hebben geen scherpe eigenschappen vóór meting |
| Publicatiedatum origineel artikel | Maart 1927 | Heisenberg stuurde het manuscript in aan Zeitschrift für Physik |
De rol van Niels Bohr en de Kopenhagen-interpretatie
Niels Bohr was in de winter van 1926-1927 Heisenbergs directe chef en dagelijkse gesprekspartner in Kopenhagen. Bohr was zelf bezig met zijn complementariteitsprincipe: het idee dat golf- en deeltjesgedrag twee aanvullende beschrijvingen zijn van dezelfde werkelijkheid, die nooit tegelijk zichtbaar zijn. Heisenberg en Bohr hadden dagelijkse, soms heftige discussies over de fundamenten van de kwantummechanica.
Toen Bohr begin 1927 op skivakantie was in Noorwegen, werkte Heisenberg zijn ideeën verder uit en schreef hij de eerste versie van zijn artikel over de onzekerheidsrelatie. Bohr keerde terug en las het manuscript. Hij was niet blij: hij vond de redenering met het gammastralenmicroscoop (een gedachte-experiment waarmee Heisenberg zijn principe illustreerde) gebrekkig. Er ontstond een conflict. Uiteindelijk paste Heisenberg zijn artikel aan en stuurde het in.
De twee bleven samenwerken. Samen met Max Born formuleerden ze wat de Kopenhagen-interpretatie zou worden: de standaardvisie op kwantummechanica die tot op vandaag de meest gebruikte is in de wetenschap. De kern: kwantumdeeltjes hebben geen bepaalde eigenschappen vóórdat ze gemeten worden. Het meten zelf bepaalt mede het resultaat. De onzekerheidsrelatie is geen gebrek van onze meetapparaten, maar een onvermijdelijk kenmerk van de natuur.
Als je wil weten welke stappen wetenschappers doorlopen om van zo’n theoretisch inzicht naar een breed aanvaard principe te komen, geeft het artikel over stappen van wetenschappelijk onderzoek een helder overzicht van dat proces.
Drie concrete toepassingen en varianten van het principe
De onzekerheidsrelatie is geen abstracte filosofie. Ze heeft heel concrete gevolgen in de wetenschap en de technologie van vandaag.
1. Stabiliteit van het atoom
Klassieke natuurkunde voorspelde dat elektronen die om een atoomkern cirkelen voortdurend energie uitstralen en uiteindelijk in de kern vallen. Dat gebeurt niet. De onzekerheidsrelatie legt namelijk een minimale omvang op aan de baan van een elektron: als het elektron te dicht bij de kern zou komen, zou zijn positie zo scherp bepaald zijn dat zijn impuls (en dus zijn kinetische energie) enorm onzeker en gemiddeld genomen groot moet zijn. Het elektron “valt” nooit in de kern doordat het altijd genoeg energie heeft om weg te blijven. Zonder de onzekerheidsrelatie zou er geen stabiele materie bestaan.
2. Tunneleffect en halfgeleiders
Door de onzekerheid in positie en impuls kan een deeltje soms een barrière passeren die het klassiek gezien niet mag passeren. Dit heet het tunneleffect. Het is de basis van de transistor, de bouwsteen van elke moderne computer en smartphone. Ook het werkingsprincipe van de tunnelmicroscoop (STM), waarmee wetenschappers individuele atomen kunnen zien en verplaatsen, berust op het tunneleffect.
3. Lijnbreedte in spectroscopie
De energie-tijdrelatie verklaart waarom spectrale lijnen van atomen niet oneindig scherp zijn. Een aangeslagen toestand die slechts een korte tijd duurt, heeft een grotere onzekerheid in zijn energie. Die energiebreedte is zichtbaar als de breedte van een emissielijn in een spectrum. Dit effect, de “natuurlijke lijnbreedte” genaamd, is van groot belang in precisiespectrometrie, laserwetenschap en atoomklokken.
De onzekerheidsrelatie raakt ook aan filosofische vragen over causaliteit en determinisme die vergelijkbaar zijn met vragen over grote symbolen in onze cultuur. Net zoals Vrouwe Justitia de spanning verbeeldt tussen kennis en rechtvaardigheid, laat Heisenbergs principe zien dat kennis in de natuur fundamentele grenzen heeft.
De Solvay-conferentie van 1927 en het debat met Einstein
In oktober 1927 vond in Brussel de vijfde Solvay-conferentie plaats. Negenentwintig van de briljantste wetenschappers ter wereld kwamen bijeen om de kwantummechanica te bespreken. Op de beroemde foto van die bijeenkomst staan onder anderen Albert Einstein, Niels Bohr, Marie Curie, Max Planck, Werner Heisenberg, Erwin Schrödinger en Paul Dirac. Zeventien van de negenentwintig aanwezigen hadden de Nobelprijs gewonnen of zouden hem later ontvangen.
Op de conferentie leverde Einstein zijn bekendste bezwaar tegen de kwantummechanica: hij geloofde niet dat de natuur fundamenteel onbepaald is. “God speelt geen dobbelstenen”, is de beroemde uitspraak die aan hem wordt toegeschreven. Einstein presenteerde een reeks gedachte-experimenten die de onzekerheidsrelatie zouden moeten weerleggen. Bohr wist elk gedachte-experiment te pareren door te laten zien dat Einstein telkens een subtiele fout maakte.
Heisenberg en Max Born verklaarden op de Solvay-conferentie de kwantumrevolutie voltooid. De onzekerheidsrelatie was niet langer een hypothese: ze was een pijler van het nieuwe wetenschappelijke wereldbeeld. Toch bleef Einstein tot zijn dood in 1955 sceptisch. In 1935 publiceerde hij samen met Boris Podolsky en Nathan Rosen het beroemde EPR-artikel, dat beweerde dat de kwantummechanica incompleet moest zijn. Pas in de jaren tachtig bewezen experimenten van Alain Aspect in Parijs dat Einsteins intuïtie op dit punt onjuist was en de kwantummechanica gelijk had.
Net zo’n rijke geschiedenis van ontdekking en debat zie je bij andere wetenschappelijke en culturele mijlpalen, zoals de Venus van Milo, waarover ook decennialang gedebatteerd is over herkomst en betekenis. Of kijk naar vragen over hoe een atoombom werkt, waarbij Heisenbergs eigen rol in het Duitse nucleaire programma tijdens de Tweede Wereldoorlog tot op de dag van vandaag historisch omstreden blijft.
Heisenberg na 1927: Nobelprijswinnaar en omstreden figuur
Na zijn aanstelling in Leipzig in 1927 bouwde Heisenberg zijn reputatie verder uit. In 1932 ontving hij de Nobelprijs voor de Natuurkunde “voor de grondlegging van de kwantummechanica, die onder meer heeft geleid tot de ontdekking van de allotrope vormen van waterstof”. Hij was op dat moment 31 jaar oud.
In de jaren dertig en veertig bleef Heisenberg in Duitsland, ook tijdens het naziregime. Dit heeft zijn reputatie blijvend beschadigd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde hij het Duitse kernfysicaprogramma (het zogeheten Uranprojekt). Tot op vandaag discussiëren historici over zijn motieven: saboteerde hij bewust het programma, of was het een kwestie van incompetentie en gebrek aan middelen? Zijn eigen verhalen na de oorlog bevatten tegenstrijdigheden die nooit volledig zijn opgehelderd.
Na de oorlog bleef Heisenberg actief als wetenschapper en wetenschapsbestuurder. Hij leidde het Max Planck Instituut voor Fysica en werkte aan theorieën over de fundamentele structuur van materie. Hij overleed op 1 februari 1976 in München, op 74-jarige leeftijd. Zijn onzekerheidsrelatie staat nog steeds centraal in elk leerboek kwantummechanica en in elk universitair natuurkundeonderwijs wereldwijd.
Voor wie geinteresseerd is in andere grote namen achter fundamentele ontdekkingen: het artikel over Hermes als figuur achter kennis en wetenschap toont hoezeer mensen altijd de behoefte hebben gehad om kennisbewakers een naam en gezicht te geven. En voor de wetenschappelijke context van deeltjes en kernfysica is ook het stuk over atoomwapens en hoe ze werken een logische verdieping.
Misverstanden en veelgemaakte denkfouten over het principe
De onzekerheidsrelatie wordt buiten de wetenschap vaak verkeerd begrepen. Hieronder een overzicht van de meest voorkomende misverstanden:
- Misverstand: “Het gaat om slechte meetinstrumenten.” De onzekerheid is fundamenteel en heeft niets te maken met de kwaliteit van apparatuur. Zelfs een perfect instrument kan nooit tegelijkertijd de exacte positie en exacte impuls van een deeltje meten.
- Misverstand: “Het geldt ook voor grote objecten zoals auto’s.” De onzekerheidsrelatie geldt in principe voor alles, maar de effecten zijn bij macroscopische voorwerpen zo onvoorstelbaar klein dat ze nooit meetbaar zijn. Bij een tennisbal van 60 gram is de onzekerheid in positie astronomisch veel kleiner dan een atoomkern.
- Misverstand: “Heisenberg bewees dat niets zeker is.” De relatie geldt specifiek voor bepaalde paren van grootheden, zogenoemde geconjugeerde variabelen. De positie langs de x-as en de impuls langs de x-as zijn zo’n paar. Maar de positie langs de x-as en de impuls langs de y-as zijn dat niet: die kun je in principe allebei precies meten.
- Misverstand: “Het onzekerheidsprincipe zegt dat de toekomst onvoorspelbaar is.” Het principe zegt iets over de gelijktijdige bepaalbaarheid van bepaalde eigenschappen, niet rechtstreeks over voorspelbaarheid in de tijd. Al is er een verband, het is subtieler dan populair soms wordt voorgesteld.
- Misverstand: “Bohr bedacht het principe.” Heisenberg formuleerde het principe. Bohr ontwikkelde zijn eigen complementariteitsprincipe, dat gerelateerd is maar niet hetzelfde is. Samen legden ze de basis voor de Kopenhagen-interpretatie.
Vergelijkbare misverstanden bestaan rond allerlei wetenschappelijke concepten. Neem segregatie als maatschappelijk begrip: ook daar zijn hardnekkige simplificaties die nuance vragen. Of denk aan de manier waarop mensen soms over neerslagcijfers redeneren, waarbij wat 1 mm regen betekent in de praktijk heel anders uitpakt dan je zou denken.
Veelgestelde vragen
Wie ontwikkelde de onzekerheidsrelatie van Heisenberg precies?
Werner Heisenberg formuleerde de onzekerheidsrelatie in februari 1927 en publiceerde ze in maart van datzelfde jaar in het wetenschappelijke tijdschrift Zeitschrift für Physik. Hij werkte op dat moment als assistent van Niels Bohr aan het Instituut voor Theoretische Fysica in Kopenhagen. Bohr speelde een kritische rol als klankbord en becommentarieerde het manuscript voordat het werd ingediend, maar de intellectuele ontdekking is van Heisenberg zelf.
Wat zegt de onzekerheidsrelatie van Heisenberg precies?
De onzekerheidsrelatie stelt dat je de positie en de impuls van een deeltje nooit tegelijkertijd met willekeurige nauwkeurigheid kunt meten. Hoe nauwkeuriger je de positie weet, hoe onzekerder de impuls wordt, en omgekeerd. Het product van die twee onzekerheden is altijd minstens gelijk aan de helft van de gereduceerde Planck-constante (hbar/2, circa 5,3 keer 10 tot de macht min 35 joule-seconde). Dit is geen meetprobleem maar een fundamentele eigenschap van de natuur.
Wanneer ontving Heisenberg de Nobelprijs voor zijn onzekerheidsrelatie?
Werner Heisenberg ontving de Nobelprijs voor de Natuurkunde in 1932, officieel voor “de grondlegging van de kwantummechanica”. Die prijs dekte zijn gehele bijdrage aan de kwantummechanica, inclusief de matrixmechanica van 1925 en de onzekerheidsrelatie van 1927. Hij nam de prijs in ontvangst in december 1933, tegelijk met de prijzen van Erwin Schrödinger en Paul Dirac voor 1933.
Waarom kon Einstein de onzekerheidsrelatie niet accepteren?
Einstein geloofde in een deterministische natuur: als je alle begincondities kent, kun je de toekomst berekenen. De onzekerheidsrelatie leek dat af te schieten, want ze impliceert dat sommige eigenschappen van deeltjes fundamenteel onbepaald zijn, ook als je alles goed meet. Einstein probeerde tijdens de Solvay-conferentie van 1927 en daarna herhaaldelijk met gedachte-experimenten aan te tonen dat de kwantummechanica incompleet was. Bohr wees elk argument af. Het EPR-experiment van 1935 en Bells experimenten van de jaren tachtig toonden uiteindelijk aan dat Einsteins intuïtie op dit punt niet klopte.
Geldt de onzekerheidsrelatie ook voor energie en tijd?
Ja. Er bestaat een tweede onzekerheidsrelatie die stelt dat de onzekerheid in de energie van een systeem vermenigvuldigd met de onzekerheid in de tijd groter dan of gelijk aan hbar/2 is. Dit heeft praktische gevolgen: een aangeslagen atomaire toestand die maar heel kort bestaat, heeft een grotere onzekerheid in zijn energie. Dat is de oorzaak van de “natuurlijke lijnbreedte” van spectrale lijnen, een verschijnsel dat waargenomen wordt in spectroscopie en laserwetenschap.
Heeft Heisenberg de onzekerheidsrelatie helemaal alleen bedacht?
Heisenberg had de centrale ingeving en schreef het artikel zelfstandig, maar hij werkte in een rijke intellectuele omgeving. De dagelijkse gesprekken met Niels Bohr, de wiskundige basis die Max Born en Pascual Jordan hadden meegelegd via de matrixmechanica, en de golfmechanica van Erwin Schrödinger waren allemaal voedingsbodem voor zijn inzicht. Wetenschap is zelden het werk van één persoon in isolement: Heisenberg stond op de schouders van een heel veld dat in die jaren razendsnel groeide.










