Waarom maakt de alvleesklier te veel insuline aan?

Ravi de Groot

Geupdate op:

Waarom maakt de alvleesklier te veel insuline aan?
Je leest dit artikel in 8 minuten

Laatst bijgewerkt: 30 januari 2026

De alvleesklier maakt te veel insuline aan als de bètacellen overactief worden. Dat kan door insulineresistentie, een goedaardige tumor (insulinoom), aangeboren afwijkingen of bepaalde medicijnen. Het resultaat is hetzelfde: je bloedsuiker daalt te sterk, en je lichaam raakt uit balans.

Insuline is het hormoon dat glucose uit je bloed de cellen instuurt. Normaal regelt de alvleesklier die aanmaak precies: na een maaltijd meer, tussen maaltijden weinig. Als die regeling faalt en er te veel insuline vrijkomt, spreek je van hyperinsulinisme of hyperinsulinemie. Welke oorzaak eraan ten grondslag ligt, bepaalt de behandeling en de ernst van de klachten.

Hoe de alvleesklier insuline regelt: de normale cyclus

De alvleesklier bevat miljoenen kleine eilandjes, de eilandjes van Langerhans. Daarin zitten twee typen cellen die cruciaal zijn: de bètacellen maken insuline aan, de alfacellen maken glucagon. Samen houden zij je bloedsuiker binnen een nauw bereik: nuchter ligt dat op 4,0 tot 6,0 mmol/l.

Na een maaltijd stijgt je bloedsuiker. De bètacellen meten dat rechtstreeks en scheiden insuline uit. Insuline werkt als een sleutel: het opent receptoren op spier-, lever- en vetcellen zodat glucose naar binnen kan. Zodra de bloedsuiker daalt, stopt de insulineafgifte. Glucagon doet het omgekeerde: bij een te lage bloedsuiker prikkelt het de lever om opgeslagen glycogeen vrij te geven.

Dit systeem werkt in gezonde mensen automatisch, zonder dat je er iets voor hoeft te doen. Maar als de bètacellen niet goed reageren op signalen, te gevoelig worden, of als er een tumor in groeit, raakt de cyclus verstoord. Dan wordt er insuline vrijgegeven op momenten of in hoeveelheden die niet passen bij het actuele glucosegehalte.

Zie ook klachten bij alvleesklier: symptomen en tips als je wil weten welke signalen de alvleesklier kan afgeven als er iets mis is.

Fase 1: insulineresistentie als aanleiding voor overproductie

De meest voorkomende reden waarom de alvleesklier te veel insuline aanmaakt, is insulineresistentie. Bij insulineresistentie reageren de cellen in spieren, lever en vetweefsel minder goed op insuline. De sleutels passen nog wel in het slot, maar het slot draait moeilijk. Om toch voldoende glucose de cellen in te krijgen, maakt de alvleesklier simpelweg meer insuline aan.

In het begin compenseert de alvleesklier dat probleem volledig. Je bloedsuiker blijft normaal, maar de insulinespiegel in je bloed is verhoogd. Dat stadium heet compensatoire hyperinsulinemie. Je hebt op dat moment geen diabetes, maar je alvleesklier werkt op overuren. Onderzoek van het Diabetes Fonds laat zien dat zo’n 70 procent van de mensen met overgewicht of obesitas insulineresistent is. Dat maakt insulineresistentie verreweg de meest voorkomende oorzaak van te veel insuline.

Insulineresistentie verergert bij meer overgewicht, te weinig beweging, slaapgebrek, chronische stress en een voedingspatroon met veel geraffineerde suikers en bewerkt voedsel. Zo ontstaat een vicieuze cirkel: hogere insuline bevordert vetopslag, meer vetmassa (vooral buikvet) verergert de resistentie, en de alvleesklier moet nog harder werken.

Factoren die insulineresistentie uitlokken of verergeren:

  • Overgewicht en obesitas, met name buikvet
  • Weinig lichaamsbeweging (minder dan 30 minuten per dag)
  • Slecht slaappatroon (minder dan 6 uur per nacht verhoogt het risico)
  • Chronische stress, waardoor cortisol chronisch verhoogd is
  • Een voedingspatroon met veel suiker, witte bloem en bewerkte producten
  • Roken, dat cellen minder insulinegevoelig maakt
  • Erfelijke aanleg: sommige mensen zijn eerder aangedaan bij dezelfde leefstijl

Als de alvleesklier jarenlang overwerkt, raken de bètacellen uitgeput. Dan lukt de compensatie niet meer en stijgt de bloedsuiker toch. Dat is het moment waarop diabetes type 2 ontstaat.

Fase 2: het insulinoom, een tumor die insuline maakt

Een insulinoom is een goedaardige tumor in de alvleesklier die insuline produceert, ongeacht wat je bloedsuiker doet. De tumor reageert niet op normale terugkoppeling: hij maakt gewoon door, ook als je bloedsuiker al laag is. Dat leidt tot gevaarlijk lage bloedsuikerwaarden, ook in nuchtere toestand.

Insulinomen zijn zeldzaam. In Nederland worden er jaarlijks ongeveer 60 vastgesteld. Ze komen het vaakst voor tussen het 40e en 70e levensjaar en zijn in meer dan 90 procent van de gevallen goedaardig. De diagnose wordt helaas vaak laat gesteld, omdat de klachten aspecifiek zijn: zweten, trillen, concentratieproblemen, plotseling flauwvallen of zelfs een epileptisch insult. Die verschijnselen passen ook bij stress of slaaptekort, en worden daarvoor soms jarenlang aangezien.

De diagnose rust op twee pijlers. Ten eerste de zogenoemde vastenproef: de patiënt vast 24 tot 72 uur onder medisch toezicht. Als de bloedsuiker sterk daalt terwijl de insulinespiegel hoog blijft, wijst dat op een insulinoom. Ten tweede beeldvormend onderzoek: een CT-scan of MRI om de tumor te lokaliseren, soms aangevuld met een endoscopische echografie.

De behandeling is chirurgie: verwijdering van de tumor. Dat geneest in de meeste gevallen volledig. Bij patiënten voor wie een operatie te riskant is, worden medicijnen gegeven zoals diazoxide (remt insuline-afgifte), octreotide of lanreotide (somatostatine-analogen die de tumoractiviteit remmen).

Fase 3: aangeboren hyperinsulinisme bij pasgeborenen en kinderen

Aangeboren hyperinsulinisme (congenitaal hyperinsulinisme) is de ernstigste oorzaak van aanhoudend lage bloedsuiker bij pasgeborenen en jonge kinderen. Het komt voor bij etwa 1 op de 50.000 geboortes. De bètacellen zijn door een genetische afwijking niet in staat hun insulineproductie te remmen: ze maken altijd door, ongeacht de bloedsuikerspiegel.

Er zijn twee hoofdvormen:

Kenmerk Focale vorm Diffuse vorm
Uitbreiding Plaatselijke groep overactieve cellen Gehele alvleesklier aangedaan
Oorzaak Somatische mutatie (lokale celdeling) Erfelijke mutatie beide genen (KATP-kanaal)
Behandeling Gerichte operatie, geneest vaak volledig Bijna totale pancreasresectie of levenslang medicijnen
Erfelijkheid Meestal niet erfelijk Autosomaal recessief of dominant
Diagnose PET-scan met F-DOPA tracers Genetisch bloedonderzoek + beeldvorming
Prognose Goed na operatie Risico op diabetes op lange termijn
Bekende genen ABCC8 (paternale mutatie) ABCC8, KCNJ11, GCK, GLUD1, HNF4A

Het Radboudumc in Nijmegen loopt al jaren mee in Europees onderzoek naar behandeling van deze zeldzame aandoening. De gevaren zijn groot: aanhoudend lage bloedsuiker bij een baby kan tot hersenbeschadiging leiden als het niet snel wordt herkend en behandeld.

Andere oorzaken: medicijnen, hormoonverstoringen en bijzondere situaties

Naast insulineresistentie, insulinoom en aangeboren hyperinsulinisme zijn er meer situaties waarin de alvleesklier te veel insuline produceert. Die zijn minder bekend maar belangrijk om te kennen.

Medicijnen zijn een onderschatte oorzaak. Sulfonylureumderivaten (een groep bloedsuikerverlagende middelen bij diabetes type 2, zoals glibenclamide en tolbutamide) stimuleren de bètacellen direct om meer insuline af te geven. Bij te hoge dosering of bij het overslaan van een maaltijd kan dat leiden tot hypoglykemie.

Nesidioblastosis is een zeldzame aandoening waarbij bètacellen zich abnormaal vermenigvuldigen in het pancreasweefsel. Het komt zowel aangeboren voor als verworven, bijvoorbeeld na een gastric bypass-operatie. Na bariatrische chirurgie veranderen de hormoonspiegels in de darmen (met name GLP-1 stijgt sterk), wat de bètacellen overmatig kan stimuleren. Dit verklaart waarom sommige mensen na gewichtsoperaties juist last krijgen van lage bloedsuikers.

MEN1 (multipele endocriene neoplasie type 1) is een zeldzame erfelijke aandoening waarbij tumoren kunnen ontstaan in meerdere endocriene klieren tegelijk, waaronder de alvleesklier. Een insulinoom is bij MEN1 vaker aanwezig dan bij de algemene bevolking.

Reactive hypoglycemia (reactieve hypoglykemie) treedt op na een maaltijd, niet in nuchtere toestand. De alvleesklier reageert met vertraging maar dan te heftig op een snelle suikerstijging, zodat de insulinepiek te lang aanhoudt. Dit komt voor bij mensen die snel koolhydraten verteren en bij vroege stoornissen in de glucoseregulatie.

Welke klachten geeft te veel insuline?

Te veel insuline veroorzaakt een te lage bloedsuiker: hypoglykemie. De klachten zijn te verdelen in twee groepen: klachten door het tekort aan glucose in de hersenen, en klachten door de stressreactie van het lichaam (adrenalinesurge).

Klachten door adrenalinestijging (vroege signalen):

  • Zweten, met name koud zweet
  • Hartkloppingen en een snelle hartslag
  • Trillen of beven
  • Bleekheid
  • Honger, soms plotseling en hevig
  • Licht gevoel in het hoofd

Klachten door glucosetekort in de hersenen (later stadium):

  • Concentratieproblemen en verwardheid
  • Wazig of dubbel zien
  • Vreemde of agressieve gedragsveranderingen
  • Spraakproblemen
  • Flauwvallen
  • In ernstige gevallen: stuipen of bewusteloosheid

Hoe snel de klachten optreden hangt af van hoe laag de bloedsuiker daalt en hoe snel dat gaat. Bij een insulinoom komen hypoglykemieën typisch voor bij nuchter zijn (vroeg in de ochtend) of na langdurige lichaamsbeweging. Bij reactieve hypoglykemie treden ze juist op 1 tot 3 uur na een koolhydraatrijke maaltijd.

Mensen die langdurig insulineresistent zijn maar nog geen diabetes hebben, merken de gevolgen van chronisch te veel insuline op een andere manier: gewichtstoename (insuline stimuleert vetopslag), vermoeidheid en versnelde atherogenese (slagaderverkalking). Voor meer informatie over bloedwaardes die samenhangen met hormonale schommelingen, zie ook bloedwaarden bij reuma: wat meten ze en wat betekenen ze?

Diagnose: hoe stelt een arts vast dat er te veel insuline is?

De diagnose begint bij de klachten en een nuchtere bloedafname. De arts kijkt naar drie waarden tegelijk: de bloedsuiker, het insulinegehalte en het C-peptide. C-peptide is een restfragment dat vrijkomt als insuline wordt aangemaakt: het bewijst dat de insuline door de alvleesklier zelf is geproduceerd (en niet via een spuit is toegediend).

Diagnostische stappen:

  1. Nuchtere bloedafname: glucose, insuline en C-peptide meten. Bij een insulinoom is de bloedsuiker laag (onder 2,5 mmol/l) terwijl insuline en C-peptide onverklaard hoog zijn.
  2. Vastenproef (24 tot 72 uur): de patiënt vast onder medisch toezicht tot klachten optreden of glucose te laag wordt. Bloed wordt om de 4-6 uur afgenomen. Dit is de gouden standaard voor insulinoom-diagnose.
  3. Beeldvormend onderzoek: CT-scan van de buik of MRI om de tumor te lokaliseren. Een insulinoom is gemiddeld 1-2 cm groot en kan lastig te vinden zijn.
  4. Endoscopische echografie (EUS): een echo via de maag of twaalfvingerige darm, die de alvleesklier van dichtbij in beeld brengt. Gevoeliger dan CT voor kleine tumoren.
  5. PET-scan met F-DOPA: wordt met name gebruikt bij aangeboren hyperinsulinisme om focale en diffuse vormen te onderscheiden.
  6. Genetisch onderzoek: bij aangeboren hyperinsulinisme of MEN1-vermoeden.
  7. Evaluatie medicijnengebruik: uitsluiten dat sulfonylureum of andere middelen de oorzaak zijn.
  8. Glucagontest of maaltijdtest: voor diagnose van reactieve hypoglykemie.

Bij insulineresistentie is de diagnose anders: de arts kijkt naar nuchtere insulinewaarden, het HbA1c, de nuchtere glucose en berekent soms de HOMA-IR (een maat voor insulineresistentie). Een HOMA-IR boven 2,5 geldt als verhoogd, al varieert de norm per laboratorium.

Behandeling: van leefstijl tot operatie

De behandeling is volledig afhankelijk van de oorzaak. Bij insulineresistentie ligt de nadruk op leefstijl, bij een insulinoom op chirurgie.

Bij insulineresistentie: de meest effectieve behandeling is gewichtsverlies gecombineerd met meer beweging. Al een gewichtsverlies van 5 tot 7 procent van het lichaamsgewicht kan de insulinegevoeligheid aanzienlijk verbeteren. Minstens 30 minuten matig intensieve beweging per dag (stevig wandelen, fietsen, zwemmen) maakt spieren gevoeliger voor insuline, ook los van gewichtsverlies. Voeding aanpassen in de richting van minder geraffineerde koolhydraten, meer groenten en vezelrijk voedsel helpt de insulinepieken te dempen. Als leefstijl niet voldoende is, kan de arts metformine voorschrijven, een medicijn dat de lever minder glucose laat produceren en cellen gevoeliger maakt voor insuline. Voor de beste keuzes in voeding bij diabetes en insulineproblemen, zie ook beste brood bij diabetes type 2: uitleg en tips.

Bij een insulinoom: chirurgische verwijdering van de tumor is de standaardbehandeling en geneest in de overgrote meerderheid van de gevallen volledig. Vóór de operatie kan de patiënt diazoxide krijgen om de insulineafgifte tijdelijk te remmen. Na de operatie zijn vrijwel alle klachten weg. Als opereren niet mogelijk is, worden octreotide of lanreotide gebruikt.

Bij aangeboren hyperinsulinisme: bij de focale vorm is een gerichte operatie op de afwijkende plek curatief. Bij de diffuse vorm is bijna totale verwijdering van de alvleesklier (95 tot 98 procent) soms nodig, maar dat brengt het risico mee van diabetes type 1 op lange termijn. Medicamenteuze behandeling met diazoxide is de eerste stap als de genetische subtype daarvoor gevoelig is.

Bij medicamenteuze oorzaak: aanpassing of verlaging van de dosis van het veroorzakende medicijn is de eerste stap, altijd in overleg met de behandelend arts.

Mensen die na een hypoglykemie snel een injectie insuline of glucagon nodig hebben, vinden praktische informatie over naaldkeuze in welke naald bij subcutaan injecteren: tips voor keuze en welke naald bij intramusculair injecteren.

Wil je meer weten over hoe afwijkende bloedwaarden worden onderzocht? Bekijk dan ook hoe hoog mag de alat waarde zijn voor uitleg over leverenzymen, die bij langdurig hyperinsulinisme ook verstoord kunnen raken.

Veelgestelde vragen

Kan stress ervoor zorgen dat de alvleesklier te veel insuline aanmaakt?

Indirect wel. Chronische stress verhoogt het cortisol in je bloed. Cortisol maakt cellen minder gevoelig voor insuline, wat de alvleesklier aanzet tot meer productie. Dat is geen direct effect op de bètacellen, maar via de weg van insulineresistentie. Langdurig hoge stresswaarden dragen daarmee bij aan hyperinsulinemie, zeker in combinatie met slaaptekort en ongezonde eetgewoonten die stress vaak meebrengt.

Is te veel insuline hetzelfde als diabetes?

Nee, het is het tegenovergestelde. Bij diabetes type 2 in een later stadium maakt de alvleesklier juist te weinig insuline aan, of werkt de insuline niet meer goed. Te veel insuline (hyperinsulinisme) speelt zich af in de voorfase van type 2 diabetes, wanneer de alvleesklier nog compenseert voor insulineresistentie. De gevaren zijn echter reeel: aanhoudend te lage bloedsuiker kan bij een insulinoom levensbedreigend zijn.

Hoe herken je een te lage bloedsuiker door te veel insuline?

De eerste signalen zijn zweten, trillen, hartkloppingen en een plotselinge, hevige honger. Dat zijn tekenen dat het lichaam adrenaline afgeeft als alarmsignaal. Later kunnen concentratieproblemen, verwardheid en wazig zien optreden. Bij een ernstige hypoglykemie kun je flauwvallen. Heb je aanhoudend last van deze klachten, zeker ’s ochtends nuchter of na inspanning? Ga dan naar de huisarts voor bloedonderzoek.

Kan voeding de insulineproductie verminderen?

Bij insulineresistentie zeker. Minder geraffineerde koolhydraten eten (witte rijst, wit brood, suikerrijke dranken) vermindert de glucosepieken na maaltijden, waardoor de alvleesklier minder fors hoeft te reageren. Meer vezels, eiwitten en gezonde vetten vertragen de glucoseopname. Dat leidt tot lagere en stabielere insulinespiegels. Dit werkt niet bij een insulinoom: die tumor produceert insuline ongeacht wat je eet.

Wanneer moet je naar de huisarts bij vermoeden van te veel insuline?

Ga naar de huisarts als je herhaaldelijk klachten hebt die passen bij een lage bloedsuiker, zeker als ze optreden nuchter, na langdurig vasten of na inspanning. Noteer op welk moment de klachten optreden en wat je gegeten hebt. De huisarts kan met een eenvoudige nuchtere bloedafname al veel informatie krijgen. Geef ook aan of je medicijnen gebruikt die de bloedsuiker beinvloeden.

Is een insulinoom gevaarlijk?

Een onbehandeld insulinoom is gevaarlijk, omdat het aanhoudend lage bloedsuikers veroorzaakt die tot bewusteloosheid, stuipen of hersenbeschadiging kunnen leiden. Gelukkig is meer dan 90 procent van de insulinomen goedaardig en behandelbaar via een operatie. Na verwijdering van de tumor zijn de klachten in de meeste gevallen volledig weg. Vroege diagnose is belangrijk: de gemiddelde tijd tussen eerste klachten en diagnose is helaas soms meerdere jaren.

VL
Redactie Veel.nlOnze redactie schrijft informatieve artikelen over uiteenlopende onderwerpen.

Geef een reactie