Diabetes wordt vastgesteld wanneer je nuchtere bloedsuikerwaarde op twee afzonderlijke momenten 7,0 mmol/L of hoger is, of wanneer een willekeurige meting 11,1 mmol/L of hoger laat zien in combinatie met klachten. Een HbA1c-waarde van 48 mmol/mol of hoger bevestigt het vermoeden. Dit zijn de grenswaarden die huisartsen en internisten in Nederland hanteren, vastgelegd in de NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2.
Hieronder vind je een overzicht van alle relevante waarden, wanneer je van prediabetes spreekt, welke symptomen bij welke bloedsuikerstand horen en wat je daarna kunt doen.
Overzicht: de belangrijkste diabetes-grenswaarden in een tabel
Bloedsuiker wordt in Nederland gemeten in millimol per liter (mmol/L). Afhankelijk van het type meting gelden andere grenzen. De tabel hieronder geeft de officiële waarden weer voor nuchter bloedglucose, de twee-uurs waarde na een orale glucosetolerantietest (OGTT) en HbA1c.
| Categorie | Nuchter glucose | 2 uur na OGTT | HbA1c |
|---|---|---|---|
| Normaal | Onder 6,1 mmol/L | Onder 7,8 mmol/L | Onder 42 mmol/mol |
| Gestoorde nuchterglucose (IFG) | 6,1 tot 6,9 mmol/L | Onder 7,8 mmol/L | 42 tot 47 mmol/mol |
| Gestoorde glucosetolerantie (IGT) | Onder 7,0 mmol/L | 7,8 tot 11,0 mmol/L | 42 tot 47 mmol/mol |
| Prediabetes (combinatie IFG/IGT) | 6,1 tot 6,9 mmol/L | 7,8 tot 11,0 mmol/L | 42 tot 47 mmol/mol |
| Diabetes mellitus | 7,0 mmol/L of hoger | 11,1 mmol/L of hoger | 48 mmol/mol of hoger |
| Ernstige hyperglykemie | Boven 15,0 mmol/L | Variabel | Boven 75 mmol/mol |
| Streefdoel bij behandeling (nuchter) | 4,5 tot 8,0 mmol/L | Onder 9,0 mmol/L | Onder 53 mmol/mol |
Nuchter betekent: minstens acht uur niets gegeten of gedronken (water mag). De nuchterwaarde is de meest betrouwbare meting voor diagnose. Het HbA1c-getal geeft de gemiddelde bloedsuiker van de afgelopen twee tot drie maanden weer en wordt gebruikt voor zowel opsporing als behandelcontrole. Wanneer twee afzonderlijke metingen op verschillende dagen de diabetesgrens overschrijden, is de diagnose bevestigd.
Wat is het verschil tussen type 1, type 2 en MODY?
De bloedsuikerwaarden waarbij de diagnose gesteld wordt, zijn voor alle diabetestypen gelijk. Wat verschilt is het onderliggend mechanisme en de leeftijdsgroep. Bij type 1 vernietigt het immuunsysteem de insulineproducerende bètacellen in de alvleesklier. Dit gebeurt meestal op jonge leeftijd (kinderen, tieners, jongvolwassenen), maar kan ook op latere leeftijd optreden. De bloedsuiker stijgt snel en fors. Symptomen zoals extreme dorst, frequent plassen en gewichtsverlies ontstaan binnen dagen tot weken.
Type 2 is verreweg de meest voorkomende vorm: in Nederland hebben naar schatting meer dan een miljoen mensen de diagnose, en mogelijk nog eens enkele honderdduizenden zonder dat ze het weten. Bij type 2 is er sprake van insulineresistentie: de alvleesklier maakt nog wel insuline, maar het lichaam reageert er te weinig op. De bloedsuiker stijgt langzaam over jaren. Daardoor zijn er vaak lange tijd geen duidelijke klachten.
MODY (Maturity-Onset Diabetes of the Young) is een zeldzame erfelijke vorm die lijkt op type 2 maar al op jonge leeftijd (voor het dertigste jaar) optreedt. Wordt nogal eens verward met type 1 of type 2. Genetische diagnostiek is nodig voor bevestiging. Een andere bijzondere vorm is zwangerschapsdiabetes: tijdelijke verhoogde bloedsuiker tijdens de zwangerschap, die na de bevalling meestal verdwijnt maar het risico op type 2 later verhoogt.
Voor het functioneren van de alvleesklier zijn de bètacellen cruciaal: zij produceren insuline op het moment dat de bloedsuiker stijgt na een maaltijd. Bij zowel type 1 als een gevorderd type 2 werken die cellen onvoldoende.
Prediabetes: wanneer ben je op weg naar diabetes?
Van prediabetes spreek je als je bloedglucosewaarden structureel hoger zijn dan normaal, maar nog niet hoog genoeg voor de diagnose diabetes. Concreet: een nuchtere waarde tussen 6,1 en 6,9 mmol/L of een HbA1c tussen 42 en 47 mmol/mol. Dit stadium geeft vrijwel geen klachten. Je voelt het niet.
Toch is prediabetes belangrijk om op te sporen, omdat het zonder aanpassingen binnen vijf tot tien jaar in een deel van de gevallen overgaat naar type 2. Leefstijlveranderingen zijn in dit stadium het effectiefst. Onderzoek laat zien dat afvallen (5 tot 10 procent van je lichaamsgewicht), dagelijks bewegen en minder geraffineerde koolhydraten eten de overgang naar diabetes bij veel mensen kunnen voorkomen of fors kunnen uitstellen.
Wie bij prediabetes ook een verhoogde bloeddruk heeft of afwijkende cholesterolwaarden, doet er goed aan ook die te laten behandelen. Het cardiovasculaire risico is al bij prediabetes merkbaar verhoogd. Laat ook je nierfunctie controleren: bij langdurig verhoogde suikerwaarden kunnen de nieren al vroeg meelijden. Op welke nierfunctiestadia als alarmerend gelden lees je elders meer.
Drie risicogroepen voor prediabetes die extra alert moeten zijn:
- Mensen met overgewicht of obesitas, vooral buikvet (tailleomtrek bij mannen boven 102 cm, bij vrouwen boven 88 cm)
- Mensen met een eerstegraads familielid met diabetes type 2
- Vrouwen die zwangerschapsdiabetes hebben gehad
Symptomen: wat voel je bij welke bloedsuikerwaarde?
De klachten die bij diabetes horen, hangen sterk samen met hoe hoog de bloedsuiker is en hoe snel die is gestegen. Type 1 geeft doorgaans snellere en hevigere klachten dan type 2. Hieronder de drie meest voorkomende scenario’s.
Scenario 1: licht verhoogde waarden (7,0 tot 10,0 mmol/L nuchter). In dit bereik zijn klachten vaag of afwezig. Sommige mensen merken dat ze iets vaker moeten plassen of wat meer dorst hebben. Anderen merken helemaal niets. Type 2 wordt hierom gemiddeld pas zeven jaar na het ontstaan gediagnosticeerd.
Scenario 2: matig verhoogde waarden (10,0 tot 15,0 mmol/L). Hier worden de klassieke symptomen duidelijker: veel plassen (polyurie), overmatige dorst (polydipsie), vermoeidheid, wazig zien en trage wondgenezing. Bij type 1 gaat dit ook gepaard met gewichtsverlies ondanks een normale of verhoogde eetlust.
Scenario 3: sterk verhoogde waarden (boven 15,0 mmol/L, soms boven 20). Dit is het gebied van hyperglykemische crises. Bij type 1 kan diabetische ketoacidose optreden (DKA): het lichaam verbrandt vetten als noodoplossing, wat zure ketonen oplevert. Symptomen: misselijkheid, buikpijn, fruitige adem, verwardheid. Bij type 2 kan een hyperosmolaire hyperglykemische toestand (HHS) ontstaan met extreme uitdroging en bewustzijnsdaling. Beide zijn medische spoedsituaties.
Naast de directe klachten zijn er tekenen van langdurig verhoogde bloedsuiker die pas na maanden of jaren opvallen: tintelingen of gevoelloosheid in handen en voeten (perifere neuropathie), terugkerende infecties (met name blaas- en schimmelinfecties) en vermoeidheid die niet weggaat met rust. Als je ook afwijkende bloedwaarden hebt die de arts wil controleren, vraag dan meteen of ook het bloedglucose en HbA1c meegenomen worden.
Hoe wordt de diagnose gesteld? De stap-voor-stap aanpak
- Aanleiding voor testen: klachten (dorst, plassen, vermoeidheid), toevalsbevinding bij routinebloedonderzoek, of gerichte screening bij risicogroepen (overgewicht, familiaire belasting, zwangerschapsdiabetes in verleden).
- Nuchterglucose meting: je mag acht uur niet eten. Bloed wordt afgenomen uit een ader. Een waarde van 7,0 mmol/L of hoger is verdacht voor diabetes.
- Herhaling: bij één afwijkende waarde zonder klachten is een tweede meting op een andere dag vereist. Zijn beide metingen 7,0 mmol/L of hoger, dan staat de diagnose vast.
- Willekeurige meting bij klachten: als je duidelijke klachten hebt van hyperglykemie en een willekeurige bloedsuiker van 11,1 mmol/L of hoger, is één meting voldoende voor de diagnose.
- HbA1c als aanvulling: een HbA1c van 48 mmol/mol of hoger past bij diabetes. In de Nederlandse eerstelijns praktijk wordt het HbA1c vaker gebruikt voor behandelcontrole dan voor initiële diagnose, maar bij twijfel kan het wél onderdeel zijn van de diagnosestelling.
- OGTT bij twijfelgevallen: een orale glucosetolerantietest geeft inzicht in hoe het lichaam een suikeroplossing (75 gram glucose) verwerkt. Na twee uur wordt de bloedsuiker gemeten. Waarde van 11,1 mmol/L of hoger bevestigt diabetes. Dit wordt vaker gebruikt bij vermoeden van prediabetes of zwangerschapsdiabetes.
- Type bepalen: is de diagnose gesteld, dan volgt vaststelling van het type. Bij vermoeden van type 1 worden antilichamen (GAD-antilichamen) bepaald en soms ook C-peptide (maat voor insulineproductie). Type 2 wordt klinisch vastgesteld op basis van leeftijd, BMI en klinisch beeld.
- Aanvullend onderzoek: bij de diagnose worden ook nierfunctie (eGFR en albumine in urine), cholesterol, bloeddruk en ogen (retinopathie screening) gecontroleerd. Complicaties kunnen al aanwezig zijn op het moment van diagnose, zeker bij type 2.
Bij afwijkende eiwitten in urine samen met diabetes is opvolging extra belangrijk. Wat dat voor je nieren betekent en welke stappen je dan kunt zetten, staat uitgelegd op de pagina over te veel eiwitten in urine.
Streefwaarden tijdens behandeling: wanneer is je suiker goed genoeg onder controle?
Een diagnose is niet het eindpunt: het is het begin van een behandeltraject. De NHG-Standaard hanteert voor type 2 diabetes de volgende streefwaarden:
- Nuchter bloedglucose: 4,5 tot 8,0 mmol/L
- Bloedglucose twee uur na de maaltijd: onder 9,0 mmol/L
- HbA1c: individueel bepaald, maar voor de meeste patiënten onder 53 mmol/mol (7,0%)
- Bij ouderen of mensen met veel comorbiditeit: ruimere doelen zijn acceptabel om hypoglykemie te voorkomen
De streefwaarden zijn niet voor iedereen gelijk. Iemand van 40 met type 2 en geen andere aandoeningen heeft baat bij strikte regulering om schade op lange termijn te voorkomen. Een 80-jarige met hartfalen heeft meer risico op een hypoglykemische aanval dan op diabetescomplicaties over twintig jaar: bij hem of haar kunnen hogere waarden juist veiliger zijn.
Bij zelfmeting thuis gebruik je een glucosemeter (vingerpriktje). Je arts of diabetesverpleegkundige legt uit hoe vaak je moet meten en wat je met de uitkomsten doet. Bij insulinegebruik is zelfmeting vaker nodig dan bij alleen tabletten. Mensen die insuline spuiten, moeten ook de juiste naalddikte en lengte kiezen: op de pagina over subcutaan injecteren staat welke naald je het best kunt gebruiken.
Een goede voeding maakt deel uit van het behandelplan. Welk brood het meest geschikt is voor mensen met diabetes type 2, lees je op de pagina over het beste brood bij diabetes type 2.
Leefstijl en medicatie: wat kun je zelf doen?
Bij type 2 diabetes is leefstijl de hoeksteen van de behandeling, zeker in het begin. Dat klinkt als een open deur, maar de resultaten zijn indrukwekkend. Studies laten zien dat mensen met type 2 die fors afvallen (10 tot 15 procent van hun lichaamsgewicht) soms volledige remissie bereiken: bloedsuiker onder 7,0 mmol/L en HbA1c onder 48 mmol/mol, zonder medicatie. Remissie is geen genezing, maar wel een periode waarbij de ziekte geen meetbare schade aanricht.
Concrete leefstijladviezen die effect hebben, gebaseerd op de NHG-Standaard:
- Bewegen: minimaal 150 minuten matig intensieve beweging per week (stevig wandelen, fietsen, zwemmen). Krachttraining twee keer per week verbetert de insulinegevoeligheid extra.
- Voeding: minder geraffineerde koolhydraten (wit brood, frisdrank, snoep), meer vezels (groenten, peulvruchten, volle granen), gezonde vetten en voldoende eiwitten. Een mediterraan dieet of een laagkoolhydraatdieet kan helpen.
- Stoppen met roken: roken vergroot insulineresistentie en verhoogt het cardiovasculaire risico fors bij mensen met diabetes.
- Alcoholgebruik beperken: alcohol kan de bloedsuiker zowel verhogen als plotseling verlagen, afhankelijk van het moment en de hoeveelheid.
Wanneer leefstijl alleen onvoldoende effect heeft, wordt medicatie ingezet. Metformine is nog altijd de eerste keuze bij type 2 vanwege de bewezen werking, lage prijs en goede bijwerkingenprofiel. Daarna volgen SGLT2-remmers, GLP-1-agonisten en DPP-4-remmers. Bij type 1 is insuline altijd noodzakelijk: het lichaam maakt zelf geen insuline meer aan. Wie insuline spuit, doet er goed aan ook de juiste naalden voor intramusculaire injecties te kennen, afhankelijk van het insulinetype.
Naast bloedsuiker worden bij diabetes ook andere bloedwaarden regelmatig gecontroleerd. Lage ferritinewaarden komen vaker voor bij mensen met diabetes en kunnen de vermoeidheid verergeren. Wat de klachten van laag ferritine zijn, lees je op de pagina over klachten bij laag ferritine.
Veelgestelde vragen
Vanaf welke bloedsuikerwaarde heb je officieel diabetes?
De officiële grens ligt bij een nuchtere bloedglucose van 7,0 mmol/L of hoger, gemeten op twee afzonderlijke momenten. Bij één meting met duidelijke klachten van hyperglykemie volstaat een willekeurige waarde van 11,1 mmol/L of hoger. Een HbA1c van 48 mmol/mol of hoger past ook bij de diagnose, maar wordt in Nederland zelden als enige maatstaf gebruikt.
Wat is een normaal bloedsuikergehalte voor iemand zonder diabetes?
Nuchter hoort een gezonde bloedsuiker onder 6,1 mmol/L te liggen. Twee uur na een maaltijd mag de waarde tijdelijk oplopen tot maximaal 7,8 mmol/L. Het HbA1c hoort bij gezonde mensen onder 42 mmol/mol te blijven. Waarden daarboven maar onder de diabetesgrens worden prediabetes of gestoorde glucoseregulatie genoemd.
Kun je zelf thuis testen of je diabetes hebt?
Met een glucosemeter en teststrips kun je je nuchtere bloedsuiker thuis meten. Verkrijgbaar bij de apotheek. Een waarde boven 7,0 mmol/L nuchter is aanleiding om naar de huisarts te gaan voor een officiële bloedafname. Zelfmeting vervangt geen laboratoriumonderzoek: plasma-glucosewaarden uit een ader zijn nauwkeuriger dan capillaire metingen met een thuismeter.
Wat is het verschil tussen HbA1c en gewone bloedsuiker?
Een gewone glucosemeting geeft de bloedsuiker op dat moment weer, net als een foto. Het HbA1c is een gemiddelde over de afgelopen twee tot drie maanden: het meet hoeveel suiker aan rode bloedcellen is gebonden (geglycosyleerd hemoglobine). HbA1c verandert langzaam en is minder gevoelig voor dagelijkse schommelingen. Daardoor is het beter geschikt voor het beoordelen van de bloedsuikerregulatie over langere tijd. Voor de diagnose zijn beide metingen waardevol.
Kan diabetes weggaan met leefstijlverandering?
Volledige genezing is bij type 2 niet mogelijk, maar remissie wel. Remissie betekent dat je bloedsuikerwaarden gedurende minstens drie maanden normaal zijn zonder medicatie. Dit lukt vaker bij mensen die kort geleden gediagnosticeerd zijn en fors zijn afgevallen. Bij type 1 is insuline altijd noodzakelijk: het immuunsysteem heeft de insulineproducerende cellen vernietigd en die komen niet terug.
Welke complicaties kunnen optreden bij langdurig verhoogde bloedsuiker?
Langdurige hyperglykemie beschadigt kleine bloedvaten (microangiopathie) en grote bloedvaten (macroangiopathie). Bekende complicaties zijn diabetische retinopathie (oogschade, risico op blindheid), nefropathie (nierschade, uiteindelijk nierfalen), neuropathie (zenuwschade, tintelingen en gevoelloosheid in voeten), en een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. Regelmatige controle van nierfunctie, ogen en voeten is voor mensen met diabetes standaardzorg. Afwijkingen in eiwitten in de urine zijn een vroeg signaal van nierbetrokkenheid.










